Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 17 mei 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
.
Conclusie en gevolgen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 73,64% en de daarmee samenhangende toekenning van een WGA-vervolguitkering. Hij stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering, onderbouwd met rapportages van een re-integratiecoach en een second opinion van een verzekeringsarts.
De rechtbank oordeelt dat het UWV zorgvuldig en voldoende uitgebreid medisch onderzoek heeft verricht, waarbij de beperkingen van eiser objectief zijn vastgesteld. De rapportage van de re-integratiecoach is niet medisch van aard en kan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet vervangen. De second opinion van eiser bevat onvoldoende onderbouwing voor aanvullende beperkingen.
Ook de door het UWV geselecteerde functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid zijn passend geacht. De rechtbank concludeert dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 73,64% juist is vastgesteld en dat eiser geen recht heeft op een IVA-uitkering omdat zijn beperkingen niet duurzaam zijn.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten op 17 mei 2022.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van 73,64% wordt bevestigd.