Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[naam 2]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak diende een rechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verzoek tot verschoning in vanwege een mogelijke schijn van partijdigheid. Dit verzoek werd ingediend omdat in de hoofdzaak een financieel adviseur werd genoemd die een persoonlijke kennis is van de rechter. Hoewel de rechter zelf meende niet belemmerd te worden, kon niet worden uitgesloten dat anderen een schijn van partijdigheid zouden kunnen afleiden.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de artikelen 36, 40 en 41 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij is overwogen dat de onpartijdigheid van rechters moet worden vermoed, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel of een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat. Ook de uiterlijke schijn van partijdigheid is relevant.
De kamer concludeerde dat de omstandigheden voldoende grond geven voor verschoning en besloot het verzoek toe te wijzen. De behandeling van de hoofdzaak wordt overgenomen door een andere rechter en het proces wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond bij indiening van het verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verschoningsverzoek van de rechter wordt toegewezen vanwege de schijn van partijdigheid, waarna de hoofdzaak door een andere rechter wordt voortgezet.