De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een geschil tussen ouders over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kind, geboren in april 2020. De minderjarige staat onder toezicht van een gecertificeerde instelling vanwege een onveilige opvoedingssituatie. De vader verzocht om het hoofdverblijf bij hem vast te stellen en een aangepaste zorgregeling, terwijl de moeder dit betwistte en de huidige situatie handhaafde.
De rechtbank constateerde dat de ouders slechts kortdurend samenwoonden zonder intentie tot duurzaam samenleven, waardoor de behoefte van het kind aan onderhoudsbijdrage volgens richtlijnen voor niet-samenwonende ouders werd berekend. De vader werkt als zelfstandig ondernemer en de draagkracht van beide ouders werd zorgvuldig vastgesteld aan de hand van hun netto besteedbaar inkomen en fiscale aftrekposten.
De rechtbank volgde het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling dat het belang van het kind gediend is met het huidige hoofdverblijf bij de moeder en de bestaande zorgregeling. De vader moet een maandelijkse bijdrage van €142 betalen vanaf 1 juni 2021. De geboorte van een tweede kind uit een andere relatie van de vader leidt niet tot aanpassing van deze bijdrage; niet-benutte draagkracht wordt overgeheveld om in de behoefte van het eerste kind te voorzien.
De rechtbank compenseerde de proceskosten tussen partijen, zodat ieder zijn eigen kosten draagt, en wees overige verzoeken af. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.