ECLI:NL:RBZWB:2022:2296
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van hoekwoning in Oisterwijk
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €311.000 voor zijn hoekwoning te Oisterwijk voor het kalenderjaar 2020. Hij stelde dat de waarde maximaal €295.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een waardematrix en gebruikte vergelijkingsobjecten met correcties.
Tijdens de zitting werd onder meer gedebatteerd over de inhoud van de garage, de invloed van een gedateerd toilet en de waardering van een kleine aanbouw. Belanghebbende stelde dat de garage kleiner was dan aangenomen en dat de kubieke meterprijs van de aanbouw geen rekening hield met afnemend grensnut. De heffingsambtenaar betwistte deze punten en onderbouwde zijn standpunt met een taxatierapport.
De rechtbank oordeelde dat de stelling over de garage onvoldoende onderbouwd was en dat een standaardwaarde van €15.000 voor een garage redelijk is. Ook vond de rechtbank dat het gedateerde toilet geen significante invloed had op de waarde en dat de kleine aanbouw juist een waardevermeerdering kon betekenen. De verkoopprijs van een vergelijkingsobject was niet geïndexeerd, maar gezien de datum van overdracht achtte de rechtbank dit niet onredelijk.
Gelet op deze overwegingen concludeerde de rechtbank dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende aannemelijk had gemaakt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €311.000 wordt ongegrond verklaard.