Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een fiscale adviesonderneming opgericht in september 2018, diende de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) over het boekjaar 2018/2019 niet tijdig in, ondanks uitnodigingen en aanmaningen. De inspecteur legde daarom een verzuimboete van €2.757 op, die bij bezwaar werd verminderd tot €500.
Belanghebbende erkende het verzuim en voerde aan dat de boete disproportioneel was, omdat zij te goeder trouw was, de aangifte over het hoofd zag en de omzet feitelijk was aangegeven via een andere entiteit. De rechtbank overwoog dat de verzuimboete een prikkel is om tijdig aangifte te doen en onafhankelijk is van de belastinghoogte, maar dat de hoogte wel meeweegt bij de proportionaliteit.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur bij de bezwaaruitspraak al rekening had gehouden met het eerste verzuim en de financiële omstandigheden, waardoor de boete passend en geboden is. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen vermindering of vernietiging van de boete. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verzuimboete van €500 wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.