Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster
,verweerder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 22 augustus 2019 te beëindigen. Het UWV wijzigde dit besluit op 15 oktober 2021, waardoor verzoekster per genoemde datum volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Hierna trok verzoekster het beroep in en verzocht om veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Het UWV stemde in met een proceskostenveroordeling en vroeg de rechtbank de tarieven uit het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet tarieven in strafzaken toe te passen. De rechtbank liet een zitting achterwege en overwoog dat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen, wat een grond is voor proceskostenveroordeling volgens artikel 8:75a Awb.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 5.303,46, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand en deskundigenkosten inclusief btw. Het griffierecht werd door het UWV rechtstreeks aan verzoekster vergoed. De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van dit bedrag aan verzoekster.
Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 5.303,46 aan proceskosten aan verzoekster.