Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van zes appartementen in een pand met horecabestemming. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de reeds lopende bouwwerkzaamheden.
De rechter stelde vast dat het college bevoegd was om de vergunning te verlenen, ook al was dit in strijd met het bestemmingsplan, en dat het college beleidsruimte had bij de beoordeling. De voorzieningenrechter toetste of het college redelijk heeft geoordeeld dat de realisatie van de appartementen geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoekers zou veroorzaken.
Verzoekers voerden onder meer aan dat de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kon worden voldaan, dat er geluidsoverlast en privacy-inbreuk zou ontstaan, dat er geen draagvlak was, dat wateroverlast niet was onderzocht en dat milieuaspecten zoals geluidhinder, natuurbescherming en bodemkwaliteit onvoldoende waren meegewogen. De voorzieningenrechter vond dat het college de parkeerbehoefte terecht had gesaldeerd, dat enige geluidstoename niet onaanvaardbaar was gezien de horecabestemming, dat motiveringsgebreken hersteld konden worden in bezwaar, en dat het ontbreken van draagvlak geen reden was om de vergunning te weigeren.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen en wees het af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.