Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2022:2080

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
19 april 2022
Zaaknummer
AWB- 22_1507 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor bouwen appartementen in strijd met bestemmingsplan

Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van zes appartementen in een pand met horecabestemming. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de reeds lopende bouwwerkzaamheden.

De rechter stelde vast dat het college bevoegd was om de vergunning te verlenen, ook al was dit in strijd met het bestemmingsplan, en dat het college beleidsruimte had bij de beoordeling. De voorzieningenrechter toetste of het college redelijk heeft geoordeeld dat de realisatie van de appartementen geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoekers zou veroorzaken.

Verzoekers voerden onder meer aan dat de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kon worden voldaan, dat er geluidsoverlast en privacy-inbreuk zou ontstaan, dat er geen draagvlak was, dat wateroverlast niet was onderzocht en dat milieuaspecten zoals geluidhinder, natuurbescherming en bodemkwaliteit onvoldoende waren meegewogen. De voorzieningenrechter vond dat het college de parkeerbehoefte terecht had gesaldeerd, dat enige geluidstoename niet onaanvaardbaar was gezien de horecabestemming, dat motiveringsgebreken hersteld konden worden in bezwaar, en dat het ontbreken van draagvlak geen reden was om de vergunning te weigeren.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen en wees het af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van zes appartementen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/1507 WABOA VV

uitspraak van 19 april 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , te [woonplaats verzoekers] , verzoekers,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder], te [vestigingsplaats vergunninghouder] ,
vergunninghouder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 maart 2022 (bestreden besluit) waarbij het college aan [naam vergunninghouder] een omgevingsvergunning heeft verleend om in het pand aan [adres pand] te [woonplaats verzoekers] zes appartementen te realiseren. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 april 2022.
Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] . Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam betrokkene 1] , samen met [naam betrokkene 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 2 november 2021 heeft het college een aanvraag ontvangen van [naam vergunninghouder] voor een omgevingsvergunning om in het pand aan [adres pand] te [plaats pand] zes appartementen te realiseren. Het perceel heeft een horeca-bestemming en het pand is eerder in gebruik geweest als restaurant.
Verzoekers wonen op het adres [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] . De woning ligt naast het pand waarin de appartementen zullen worden gerealiseerd. Bij brief van 7 december 2021 hebben verzoekers samen met andere buurtbewoners kenbaar gemaakt dat zij bedenkingen hebben tegen het project.
Op 21 december 2021 heeft het college de beslistermijn verlengd tot en met 8 februari 2022, om [naam vergunninghouder] in de gelegenheid te stellen te overleggen met buurtbewoners. Het college heeft de beslistermijn vervolgens met instemming van [naam vergunninghouder] verlengd tot en met 8 maart 2022.
Bij het bestreden besluit heeft het college aan [naam vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van de zes appartementen.
Spoedeisend belang
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Vast staat dat ter plaatse bouwwerkzaamheden plaatsvinden om van het pand zes appartementen te maken. Gelet daarop is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Kader voor treffen voorlopige voorziening
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Bij de vraag of er in dit geval aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, is van belang of de vergunningverlening in de beslissing op bezwaar stand kan houden. Eventuele gebreken aan het bestreden besluit nopen niet automatisch tot het treffen van een voorlopige voorziening, wanneer deze gebreken in de beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld. Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening neemt de voorzieningenrechter dan ook in aanmerking of er gebreken kleven aan het bestreden besluit die zo ernstig zijn, dat zij naar verwachting in de beslissing op bezwaar niet kunnen worden hersteld.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Wet- en regelgeving
4. De voor de beoordeling van het verzoek relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het verzoek
5. Vast staat dat realisatie van zes appartementen ter plaatse in strijd is met het bestemmingsplan, omdat er ter plaatse een horecabestemming geldt. Het college heeft daarom naast de activiteit “bouwen” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ook een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c van de Wabo. De vergunning voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan is verleend met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, onder 2° van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en negende lid in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Verzoekers hebben niet weersproken dat het college bevoegd is om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid in Bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning te verlenen. Hun stellingen komen er in de kern op neer dat het college geen gebruik had mogen maken van die bevoegdheid, omdat vergunningverlening in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.
De beslissing om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan is een bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft. De rechter toetst daarom of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De voorzieningenrechter ziet zich hier daarom gesteld voor de vraag of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke effecten van de realisatie van zes appartementen in het pand niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoekers zullen leiden.
5.1
Parkeren
Verzoekers hebben allereerst gesteld dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat, omdat niet op eigen terrein kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte van de bewoners van de appartementen. Volgens verzoekers zijn op grond van de CROW-normen twaalf parkeerplaatsen vereist.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat voor de zes appartementen negen parkeerplaatsen vereist zijn. Hoewel er op het eigen terrein geen enkele parkeerplaats wordt gerealiseerd, leidt het parkeren van de bewoners van de appartementen volgens het college niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Het college heeft daarbij gewezen op het feit dat de parkeerbehoefte van de huidige horecabestemming 40 parkeerplaatsen bedraagt. Met de functiewijziging neemt de parkeerbehoefte dus af.
Bij nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Altena geeft de Nota Parkeernormen Altena (Nota) uitgangspunten voor het bepalen van de parkeerbehoefte. Paragraaf 2.6 “Salderen” bepaalt: “Bij een functiewijziging blijft een gebouw staan, maar krijgt het een andere functie. Wanneer de parkeereis, die bij de nieuwe functie hoort, lager is dan of gelijk is aan de parkeereis van de oude functie, is het niet nodig om extra parkeerplaatsen te realiseren. De parkeereis, voor zowel de oude als de nieuwe functie, wordt bepaald op basis van de vigerende parkeernormen uit publicatie 381 of recenter. (…) Bij het bepalen van de parkeereis mag, bij openbaar toegankelijke parkeerplaatsen, rekening worden gehouden met de aanwezigheidspercentages uit Tabel 3.”
Tussen partijen is niet in geschil dat de parkeerbehoefte onder de huidige bestemming 40 plaatsen bedraagt. Hoewel zij wel van mening verschillen over het antwoord op de vraag naar de parkeerbehoefte in verband met de zes appartementen, is de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie -ook wanneer wordt uitgegaan van de door verzoekers gestelde behoefte van twaalf parkeerplaatsen- lager dan de huidige behoefte. In het licht van de Nota hoeven er in verband met de functiewijziging in beginsel dan ook geen extra parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Verzoekers hebben aangevoerd dat gelet op de aanwezigheidspercentages uit tabel 3 van de Nota wel extra parkeerplaatsen vereist zijn. Ter onderbouwing daarvan hebben zij erop gewezen dat het aanwezigheidspercentage voor wonen ‘s nachts 100% is, terwijl dat voor horeca ’s nachts 0% is. De voorzieningenrechter begrijpt dit standpunt aldus dat de functiewijziging naar wonen volgens verzoekers leidt tot een verschuiving in de momenten waarop er daadwerkelijk geparkeerd wordt, en dat er daarom niet gesaldeerd mag worden.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers daarin vooralsnog niet.
Allereerst is er voor het college geen verplichting om rekening te houden met de aanwezigheidspercentages. Daarnaast rechtvaardigt het door verzoekers gegeven voorbeeld naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet de conclusie dat er als gevolg van het verschuiven van de momenten waarop er geparkeerd wordt, er ook met inachtneming van de parkeerbehoefte onder de horecabestemming, met de realisatie van de appartementen niet meer in de parkeerbehoefte zou kunnen worden voorzien. De voorzieningenrechter betrekt daarbij de aanwezigheidspercentages voor de zaterdagavond. Volgens de Nota bedraagt dat percentage 80% voor wonen en 100% voor horeca. Dat impliceert dat er onder de huidige horecabestemming voldoende parkeergelegenheid is om zowel in de volledige parkeerbehoefte van het restaurant, als in een groot deel van de parkeerbehoefte van de omliggende woningen te voorzien. Bovendien bedraagt de parkeerbehoefte voor horeca 40 plaatsen, hetgeen fors meer is dan de volgens verzoekers gestelde behoefte van 12 plaatsen voor bewoners van de zes appartementen. Dat, zoals verzoekers hebben aangevoerd, het pand al geruime tijd niet meer voor horecadoeleinden wordt gebruikt maakt dat niet anders. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019 (Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:1574).
5.2 (
Geluids-)overlast en inbreuk op privacy
Verzoekers hebben er verder op gewezen dat het bouwplan voorziet in de aanleg van vijf tuinen, aangrenzend aan hun tuin. Verzoekers zullen geluidsoverlast ondervinden wanneer de bewoners van de appartementen hun tuinen gebruiken. Daarnaast wordt er een dakterras gerealiseerd, van waaruit er direct inkijk is in de tuin van verzoekers. Hoewel er op de bouwtekening een matglazen afscheiding met een hoogte van 1,70 meter langs het terras is ingetekend, ontbreken waarborgen dat de afscheiding daadwerkelijk wordt geplaatst en in stand wordt gehouden. Er is bovendien geen enkel beletsel om het dakterras in de toekomst te vergroten, aldus verzoekers.
De voorzieningenrechter ziet hierin vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het realiseren van de appartementen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoekers. Dat er feitelijk sprake zal zijn van enige toename van geluid is daarvoor onvoldoende. De effecten van realisatie van zes appartementen moet worden afgezet tegen de effecten van de mogelijkheden onder de huidige bestemming. Zoals door verzoekers niet is bestreden, is onder de huidige horecabestemming ter plaatse onder andere vestiging van een discotheek mogelijk. Voor zover de realisatie meer of andere hinder met zich brengt dan de gebruiksmogelijkheden onder de huidige bestemming betekent dat bovendien niet dat ook sprake is van een
onaanvaardbareaantasting van het woon- en leefklimaat.
Ten aanzien van de vrees voor inkijk in de tuin van verzoekers geldt dat verzoekers naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht hebben opgemerkt dat een waarborg voor plaatsing en behoud van de matglazen afscheiding ontbreekt. De voorzieningenrechter ziet daarin geen aanleiding voor het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat dit gebrek dat in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. Voor zover verzoekers vrezen voor uitbreiding van het dakterras in de toekomst, geldt dat ook daarvoor een omgevingsvergunning vereist is, waartegen verzoekers bij de verlening daarvan kunnen opkomen.
5.3
Ontbreken draagvlak
Verzoekers hebben gesteld dat er geen draagvlak is voor het project.
In deze stelling ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vergunningverlening in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Los van de vraag óf er voldoende draagvlak is, kan de enkele omstandigheid dat draagvlak ontbreekt geen dragend argument zijn voor het weigeren van de omgevingsvergunning. Dragend argument daarbij is de ruimtelijke (on)aanvaardbaarheid van een ontwikkeling.
5.4
Wateroverlast
Verzoekers hebben gesteld dat het college niet heeft onderzocht wat realisatie van het bouwplan betekent voor de wateroverlast ter plaatse van het perceel van verzoekers. Het perceel waarop de appartementen worden gerealiseerd ligt hoger ligt dan omliggende percelen.
Ook in deze stelling ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vergunningverlening in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het perceel in de huidige situatie al hoger ligt dan de omliggende woningen. Het bouwplan brengt daarin geen wijziging. Ook aan de omvang van het pand verandert niets. Hoewel partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of de oppervlakteverharding in de nieuwe situatie toe- of afneemt ten opzichte van de bestaande situatie, is ook als er wordt uitgegaan van een toename, deze toename volgens verzoekers beperkt.
5.5
Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, bodemonderzoek
Verzoekers hebben gesteld dat het pand zich bevindt in een onderzoekszone in de zin van de Wet geluidhinder. Er is niet gebleken dat dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast is niet gebleken dat het college heeft beoordeeld of het plan uitvoerbaar is op grond van de Wet natuurbescherming. Ter onderbouwing daarvan hebben verzoekers gesteld dat er in het dak van het pand misschien vogels of vleermuizen zitten en dat ingrepen aan het dak mogelijk zullen leiden tot verstoring van beschermde soorten. Tot slot is er sprake van een functiewijziging naar een gevoelige functie. Volgens verzoekers dient er daarom inzicht te worden gegeven in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem om te bepalen of het verantwoord is om op locatie te wonen. Uit de stukken blijkt niet dat een dergelijk onderzoek is uitgevoerd.
Verzoekers hebben terecht opgemerkt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college deze omstandigheden in de besluitvorming heeft betrokken. Dat betekent niet dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom moet worden toegewezen. Motiveringsgebreken kunnen in de beslissing op bezwaar worden hersteld en de voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de conclusie in de beslissing op bezwaar zal moeten luiden dat de Wet geluidhinder, de Wet natuurbescherming of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in de weg staan aan vergunningverlening.
Conclusie
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening word afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 19 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Vergunningverlening
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt -voor zover van belang-, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a.) het bouwen van een bouwwerk en (c.) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo bepaalt -zakelijk weergegeven en voor zover van belang- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteit in strijd is met (a.) het bouwbesluit, (b.) de bouwverordening,
(c.) het bestemmingsplan of (d.) met redelijke eisen van welstand.
Ingevolge het tweede lid wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, bepaalt -voor zover van belang- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan slechts kan worden verleend:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
De algemene maatregel van bestuur waarnaar in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° is verwezen is het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Artikel 4, aanhef en negende lid in Bijlage II bij het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
Bestemmingsplan
Ter plaatse van het pand geldt onder meer het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ”.
Op grond van dat plan geldt op het perceel de enkelbestemming “Horeca”. De regels voor die bestemming zijn opgenomen in artikel 11 van Pro de planregels.
Artikel 11.5.1 (Strijdig gebruik) bepaalt dat tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in ieder geval wordt gerekend het gebruiken, laten gebruiken of in gebruik geven van gronden en bouwwerken ten behoeve van tijdelijke of permanente bewoning, met uitzondering van het bepaalde in lid 11.1 , onder c.