ECLI:NL:RBZWB:2022:1782
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ministerieel besluit over mindering BW-uitkering op bekostiging primair onderwijs
Eiseres, een schoolbestuur voor primair onderwijs, betwistte het besluit van de minister om de kosten van een aansluitende bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BW-uitkering) van een voormalig werknemer in mindering te brengen op haar personeelsbekostiging. De werknemer was van 2014 tot 2016 bij eiseres in dienst en ontving na afloop van dit dienstverband een BW-uitkering toegekend door het UWV en WWplus.
Eiseres stelde dat de BW-uitkering niet voortvloeit uit haar dienstverband, maar uit dat bij een eerdere werkgever, en dat de mindering op haar bekostiging daarom onterecht is. Tevens voerde zij aan dat de mindering had moeten eindigen zodra de werknemer opnieuw werkloos werd na een later dienstverband.
De rechtbank oordeelde dat de minister bij zijn besluit uit moet gaan van de onherroepelijke besluiten van het UWV, WWplus en het Participatiefonds, die het verzoek van eiseres om de kosten ten laste van het Participatiefonds te brengen hadden afgewezen. Hierdoor was de minister verplicht de kosten in mindering te brengen op het bekostigingsbedrag voor personeelskosten van eiseres.
De stellingen van eiseres konden niet leiden tot een andere beoordeling, omdat de minister geen ruimte had voor een eigen afweging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de ministeriële mindering van de BW-uitkering op het bekostigingsbedrag is ongegrond verklaard.