ECLI:NL:RBZWB:2022:1452

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
AWB- 21_3336
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep studiefinanciering 2021 afgewezen

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over haar aanvraag studiefinanciering 2021. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat verweerder een primair besluit had genomen, namelijk het niet toekennen van een dwangsom.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is verzet ingesteld. De verzetrechter heeft beoordeeld of de rechtbank terecht buiten redelijke twijfel heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was. Opposante stelde dat het besluit van 2 juni 2021 alleen over de dwangsom ging en niet over de studiefinanciering zelf.

De rechtbank stelde vast dat verweerder op 2 juni 2021 tijdig heeft beslist naar aanleiding van een ingebrekestelling en dat de aanvraag studiefinanciering voor 2021 niet was ingediend. Opposante ging ten onrechte uit van automatische voortzetting van een eerdere aanvraag. De verzetrechter oordeelde dat het verzet ongegrond is en dat het eerdere vonnis in stand blijft. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en het eerdere vonnis blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3336 WSFBSF V

uitspraak van 22 maart 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposante], te [plaatsnaam] , opposante,
gemachtigde: mr. P.S. Folsche.

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (verweerder) inzake haar aanvraag voor studiefinanciering voor het kalenderjaar 2021.
Bij uitspraak van 22 oktober 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is verweerder een primair besluit heeft genomen en dat er geen sprake is van een situatie waarbij een besluit is uitgebleven.
2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het besluit van 2 juni 2021 enkel ziet op het niet toekennen van een dwangsom en dat in dit besluit niets wordt besloten over het recht op studiefinanciering over het jaar 2021.
4. De verzetrechter stelt vast dat verweerder op 2 juni 2021 een besluit heeft genomen naar aanleiding van de ingebrekestelling van 20 mei 2021. Verweerder heeft in dit besluit besloten dat er geen dwangsom wordt betaald. Verweerder legt aan deze beslissing ten grondslag dat er geen aanvraag studiefinanciering voor het kalenderjaar 2021 is ingediend. Volgens verweerder gaat opposante er verder ten onrechte van uit dat een in het verleden ingediende aanvraag voor studiefinanciering automatisch wordt gecontinueerd voor de volgende jaren. Dat is volgens verweerder niet het geval. Tegen dit besluit heeft opposante bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure voert opposante gemotiveerd aan dat er wel een aanvraag voor het kalenderjaar 2021 ligt waarop moet worden beslist. De verzetrechter is dan ook met de rechtbank van oordeel dat in deze bezwaarprocedure de vraag ter discussie staat of verweerder gehouden is over het kalenderjaar 2021 een besluit te nemen.
Dit betekent dat de verzetrechter met de rechtbank van oordeel is dat de situatie dat sprake is van het uitblijven van een besluit, zich niet voordoet. Er is immers naar aanleiding van de ingebrekestelling (tijdig) beslist.
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 oktober 2021. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, verzetrechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 22 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.