ECLI:NL:RBZWB:2022:101

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2022
Publicatiedatum
11 januari 2022
Zaaknummer
AWB- 21_1953
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring transitievergoeding

Verzoekster diende een aanvraag in voor compensatie van de transitievergoeding die zij aan haar ex-werknemer had betaald. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling en verklaarde het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens trok verweerder het bestreden besluit in en besloot alsnog de aanvraag in behandeling te nemen. Hierdoor trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank overwoog dat bij intrekking van beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, proceskosten kunnen worden toegewezen op grond van artikel 8:75a Awb. Verzoekster had tijdens de bezwaarfase geen proceskosten opgeëist, zodat de beoordeling zich beperkte tot de beroepsfase. De rechtbank oordeelde dat de tegemoetkoming kennelijk gegrond was en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten ad € 759,-.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 360,- door verweerder moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. Verzoekster dient zich hiervoor rechtstreeks tot verweerder te wenden. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 14 januari 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ad € 759,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.J. Jaspers),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 15 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor compensatie van de transitievergoeding die eiseres aan haar (ex-)werknemer [naam ex-werknemer] heeft betaald niet in behandeling genomen.
In het besluit van 25 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 8 november 2021 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten de aanvraag transitievergoeding van eiseres alsnog in behandeling te nemen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij bereid zijn de reguliere kosten voor het indienen van beroep aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Verzoekster heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), met een wegingsfactor 1.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van
B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 14 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.