ECLI:NL:RBZWB:2021:933

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
AWB- 20_10009
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht bij omgevingsvergunning kap Amerikaanse eiken

Eiser maakte op 1 december 2020 digitaal bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2020 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, waarbij een omgevingsvergunning werd verleend voor het kappen van negen Amerikaanse eiken aan een adres te een plaatsnaam.

Het college kwalificeerde het bezwaarschrift als beroepschrift en zond dit op 7 december 2020 door aan de rechtbank. De rechtbank ontving het beroepschrift op 9 december 2020. Eiser werd schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en bij aangetekende brief van 10 januari 2021 verzocht de rechtbank om betaling binnen vier weken.

De rechtbank constateerde dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was ontvangen en verklaarde het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De zaak werd zonder inhoudelijke behandeling afgedaan. Hierbij werd rekening gehouden met de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met name artikel 8:41 en Pro 8:54.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/10009 WABOA

uitspraak van 1 maart 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 1 december 2020 digitaal bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 oktober 2020 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van negen Amerikaanse eikenbomen aan de [adres] te [plaatsnaam] .
Het college heeft het bezwaarschrift van 1 december 2020 aangemerkt als een beroepschrift en deze bij brief van 7 december 2020 doorgezonden naar de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift op 9 december 2020 ontvangen.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Eiser is schriftelijk gewezen op deze verplichting. Bij aangetekende brief van 10 januari 2021 is eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om betaling van het griffierecht geen betaling is ontvangen. Eiser is vervolgens medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Eiser is er in deze brief op gewezen dat hij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2. De rechtbank constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Derhalve zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.
3. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 8:41, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 1 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.
Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:
De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:
Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:
Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.