ECLI:NL:RBZWB:2021:80

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2021
Publicatiedatum
8 januari 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5845
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na zelf ontslag nemen zonder concreet nieuw dienstverband

Eiser was sinds december 2018 in dienst bij een werkgever met een contract voor onbepaalde tijd. Hij nam zelf ontslag per 7 januari 2020, terwijl hij stelde dat hij een mondelinge toezegging had voor een nieuwe baan als bedrijfsleider bij een andere werkgever. Deze nieuwe werkgever zou de toezegging later hebben ingetrokken, waardoor eiser werkloos werd.

Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat eiser verwijtbaar werkloos was geworden: hij had zonder gegronde reden ontslag genomen en geen concreet nieuw dienstverband kunnen aantonen. Telefonisch contact met de nieuwe werkgever bevestigde dat er geen concrete toezegging was gedaan vóór het ontslag.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een geldige mondelinge arbeidsovereenkomst was met de nieuwe werkgever. Bovendien was het niet geloofwaardig dat hij op het moment van ontslag al uitzicht had op die baan. Daarom was het verwijtbaar dat hij ontslag nam zonder dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Het beroep tegen het besluit van het UWV werd ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5845 WW

uitspraak van 8 januari 2021 van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2020 (primaire besluit) is eiser meegedeeld dat hij per 29 februari 2020 geen Werkloosheidsuitkering krijgt uitbetaald omdat hij zelf ontslag heeft genomen zonder dat dit nodig was, zodat hij verwijtbaar werkloos is.
Bij besluit van 27 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 27 november 2020. Eiser was hierbij niet aanwezig. Voor het UWV was aanwezig mr. M. Reitsma.

Overwegingen

1. Eiser was sinds 1 december 2018 werkzaam bij [werkgever]. Hij had daar een contract voor onbepaalde tijd.
Op 4 maart 2020 heeft eiser bij het UWV een WW-uitkering aangevraagd. Hij heeft daarbij te kennen gegeven:
  • dat hij op 29 februari 2020 werkloos is geworden;
  • dat hij zelf ontslag heeft genomen bij [werkgever] omdat hij per 1 maart 2020 een andere baan had gevonden;
  • dat deze baan op het laatste moment niet door is gegaan, waardoor hij zonder werk is komen te zitten.
Ter beoordeling van de aanvraag heeft het UWV op 5 maart 2020 telefonisch contact gezocht met [werkgever] om meer duidelijkheid te krijgen over de ontslagsituatie. Blijkens de daarvan opgestelde telefoonnotitie heeft [naam] van [werkgever] bevestigd dat eiser zelf ontslag heeft genomen en dat dit te maken had met het feit dat eiser diefstal had gepleegd waarvoor een rechtszaak liep. Eiser heeft daarna nog een kans gekregen maar is vervolgens vier keer te laat op het werk verschenen en heeft bovendien misbruik gemaakt van de leaseauto. Naar aanleiding daarvan heeft eiser een officiële waarschuwing gekregen, waarna hij zelf ontslag heeft genomen.
Vervolgens heeft het UWV diezelfde dag (5 maart 2020) ook telefonisch contact met eiser gezocht. Blijkens de daarvan opgestelde notitie heeft eiser verklaard dat hij inderdaad zelf ontslag heeft genomen omdat hij het niet meer naar zijn zin had. Hij meent recht te hebben op WW omdat hij telefonisch en per sms was overeengekomen dat hij per 1 maart 2020 ergens anders kon beginnen. Van de diefstal en de lease-auto klopte in zijn ogen niets.
Nog steeds dezelfde dag heeft het UWV het primaire besluit genomen.
2. In geschil is de vraag of het UWV terecht heeft geweigerd de WW-uitkering aan eiser uit te betalen omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.
3. Eiser betwist in beroep dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid. Weliswaar heeft hij zelf zijn baan bij [werkgever] opgezegd, maar dat heeft hij pas gedaan nadat hij van een nieuwe werkgever ([nieuwe werkgever]) de mondelinge toezegging had dat hij daar als bedrijfsleider was aangenomen. Hij kan dit aantonen met een voicemailbericht. Dat de nieuwe werkgever vervolgens de toezegging heeft ingetrokken voordat hij daar daadwerkelijk aan het werk is gegaan, doet er volgens hem niet aan af dat er een mondelinge arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen die rechtsgeldig is. De werkloosheid is volgens hem dus niet ontstaan door zijn ontslagname bij [werkgever], maar door de intrekking van de mondelinge arbeidsovereenkomst door ’[nieuwe werkgever].
4. Het UWV stelt zich in verweer op het standpunt dat eiser op 7 januari 2020 bij [werkgever] zelf ontslag heeft genomen, terwijl niet is gebleken dat er aan voortzetting van dat dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Er was geen sprake van een acute noodzaak tot het nemen van ontslag. Het UWV is niet gebleken dat eiser reeds vóór de ontslagname uitzicht had op een nieuwe dienstbetrekking. Dat een mondelinge overeenkomst ook rechtsgeldig zou kunnen zijn, wordt door het UWV niet bestreden. Eiser heeft echter niet aangetoond dat er sprake is geweest van een dergelijke overeenkomst. Het UWV heeft op 19 juni 2020 telefonisch contact opgenomen met [naam2] van ’[nieuwe werkgever]. Deze verklaarde dat het sollicitatie-gesprek met eiser medio februari 2020 heeft plaatsgevonden, dat het een goed gesprek was, maar dat er geen concrete toezeggingen zijn gedaan. Door ontslag te nemen voordat er sprake was van een concreet nieuw dienstverband, heeft eiser een voorzienbaar werkloosheidsrisico genomen. Daarom is terecht gesteld dat hij per 29 februari 2020 verwijtbaar werkloos is geworden.
Wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW moet de werknemer voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt.
5.2
Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd.
5.3
In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, het UWV de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Dat eiser werkloos zou zijn geworden vanuit een dienstverband bij ’[nieuwe werkgever] en niet vanuit een dienstverband met [werkgever], volgt de rechtbank niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van een mondelinge arbeidsovereenkomst met [nieuwe werkgever]. De beschikbare stukken ondersteunen zijn standpunt niet. En eiser heeft het voicemailbericht niet overgelegd, waarover hij stelt te beschikken en waaruit volgens hem de gestelde mondelinge toezegging zou blijken dat hij bij ’[nieuwe werkgever] als bedrijfsleider was aangenomen.
7. De beoordeling ziet daarom op de verwijtbaarheid van eisers ontslag bij [werkgever]. Niet in geschil is dat eiser daar zelf ontslag heeft genomen. Eiser heeft niet aangevoerd, noch is de rechtbank gebleken, dat er aan voortzetting van dat dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat voortzetting ervan redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Dat eiser op 7 januari 2020 ontslag zou hebben genomen omdat hij op dat moment uitzicht had op een nieuwe baan bij [nieuwe werkgever], acht de rechtbank niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn baan bij [werkgever] al op 7 januari 2020 opgezegd, terwijl hij in zijn mail van 1 maart 2020 aan [naam2] van [nieuwe werkgever] stelt dat de mondelinge afspraak
recentzou zijn gemaakt, wat in lijn is met de verklaring van [naam2] dat het gesprek met eiser
medio februari 2020heeft plaatsgevonden. Dit duidt er niet op dat er op 7 januari 2020 voor eiser uitzicht was op een baan bij [nieuwe werkgever]. Gelet op deze omstandigheden is het eiser te verwijten dat hij ontslag heeft genomen bij [werkgever] voordat hij concreet zicht had op een nieuwe dienstbetrekking. Dit betekent dat het UWV zich naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.
8. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt van de rechtbank. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 8 januari 2021 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.