ECLI:NL:RBZWB:2021:6622

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4829 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor persoonsgebonden budget woonvoorziening Wmo

Verzoekster, een minderjarige met ernstige beperkingen waaronder het Syndroom van West, woont momenteel in een aangepaste rolstoelgeschikte huurwoning. Haar ouders hebben een nieuwe woning gekocht die niet direct geschikt is voor haar, waarvoor een aanbouw met slaapkamer en badkamer noodzakelijk is. Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom heeft een persoonsgebonden budget toegekend voor het geluidsdicht maken van de aanbouw, maar wijst vergoeding van de volledige aanbouwkosten af omdat de nieuwe woning niet voldoet aan de eisen en de ouders zonder toestemming hebben gekocht.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot van €15.000,- om te starten met de aanbouw. De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed en een evident onrechtmatig besluit. Er is geen sprake van een financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie, aangezien verzoekster nog gebruik kan maken van de huidige woning.

Ook acht de voorzieningenrechter het gevraagde voorschot te verstrekkend voor een voorlopige voorziening, omdat bouwkundige aanpassingen niet gemakkelijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een voorschot op een pgb voor woonaanpassing wordt afgewezen wegens gebrek aan onverwijlde spoed en geen evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4829 WMO15 VV

uitspraak van 23 december 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. E.S. Träger,
wettelijk vertegenwoordigers/ouders: [naam vader] en [naam moeder],
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom(het college), verweerder.

Procesverloop

Namens verzoekster is beroep ingesteld tegen het besluit van 27 september 2021 van het college (bestreden besluit) inzake de toekenning van een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Namens verzoekster is aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 december 2021. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en haar wettelijk vertegenwoordigers/ouders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Niessen.

Overwegingen

1.
Feiten en omstandigheden
Verzoekster ([voornaam verzoekster]), geboren op [geboortedatum verzoekster], heeft onder andere het Syndroom van West, een ernstig epilepsiesyndroom, en meervoudige beperkingen. Zij heeft een forse ontwikkelingsachterstand, een visusafwijking, is rolstoelafhankelijk, volledig incontinent en kan niet zelfstandig eten of drinken. [voornaam verzoekster] heeft een verstoord dag/nachtritme en een verhoogde prikkelgevoeligheid. Zij gaat een aantal dagen per week naar dagbesteding. [voornaam verzoekster] woont met haar ouders, broer [naam broer] van 9 jaar en zusje [naam zus] van 3 jaar in een aangepaste rolstoelgeschikte (huur)woning met op de begane grond haar slaapkamer en een badkamer. Dit is de enige badkamer in de woning.
Op 18 november 2019 heeft de vader van [voornaam verzoekster] zich bij het college gemeld met de vraag wat er vanuit de Wmo kan worden betaald bij een eventuele verhuizing. [voornaam verzoekster]’s ouders willen een woning kopen met een garage en de garage geschikt maken voor [voornaam verzoekster].
Het college heeft advies gevraagd bij Stichting SAP. Stichting SAP heeft op 4 januari 2020 gerapporteerd.
Het college heeft op 10 februari 2020 aangegeven dat [voornaam verzoekster] niet in aanmerking komt voor een woningaanpassing als de nieuwe woning niet voldoet aan de eisen van een rolstoelgeschikte woning. Bij de verhuizing moet rekening worden gehouden met de reeds aanwezige en bekende beperkingen. De huidige woning voldoet aan de eisen zodat er geen aanpassingen toegekend worden om de nieuwe woning rolstoelgeschikt te maken.
Op 16 juni 2020 is namens [voornaam verzoekster] een aanvraag om een maatwerkvoorziening/ woningaanpassing op grond van de Wmo ingediend.
Voordat deze aanvraag werd ingediend hebben [voornaam verzoekster]’s ouders een woning gekocht, waarvan zij de sleutel op 6 september 2021 hebben gekregen. Zij willen op de begane grond een aanbouw realiseren met slaapkamer en badkamer voor [voornaam verzoekster].
In het kader van de aanvraag om een woonvoorziening heeft het college Welzorg Woning op Maat om advies gevraagd. [naam adviseur] (van [naam adviesbureau] bouwkundig en ergonomisch Adviesbureau) heeft op 19 maart 2021 advies uitgebracht.
Bij besluit van 29 april 2021 (primair besluit) heeft het college aan [voornaam verzoekster] een woonvoorziening toegekend in vorm van een pgb van € 4.115,-. Dit zijn de kosten voor het geluidsdicht maken van de aanbouw bij de nieuwe koopwoning. [voornaam verzoekster] verhuist van een geschikte woning naar een andere woning. Zij zal daarom de kosten voor het verhuizen en realiseren van de aanbouw zelf moeten dragen. Alleen het geluidsdicht maken van de slaapkamer wordt daarom vanuit de Wmo vergoed.
Namens [voornaam verzoekster] is tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
In de bezwaarprocedure heeft het college advies ingewonnen bij Argonaut. Indicatie-adviseur [naam indicatie-adviseur] heeft op 9 augustus 2021 gerapporteerd.
2.
Bestreden besluit
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Het college stelt dat de ouders van [voornaam verzoekster] een nieuwe woning hebben gekocht die op dit moment niet geschikt is voor [voornaam verzoekster]. [voornaam verzoekster] heeft vanwege haar beperkingen een slaapkamer en badkamer op de begane grond nodig. De nieuwe woning heeft die ruimtes niet. Daarvoor moet een aanbouw worden gerealiseerd. De kosten daarvan worden geraamd tussen
€ 50.000,- en € 60.000,-. Waarschijnlijk zullen de kosten echter eerder op € 80.000,- uitkomen, gelet op vergelijkbare gevallen. Het college heeft voorafgaande aan de aankoop van de nieuwe woning geen toestemming verleend om naar die woning te verhuizen, terwijl [voornaam verzoekster]’s ouders op het toestemmingsvereiste zijn gewezen. Het ligt daarom op hun weg om aannemelijk te maken dat er geen beter passende woning beschikbaar was.
Het college stelt verder dat de huidige woning geschikt te maken is voor [voornaam verzoekster]. [voornaam verzoekster] is prikkelgevoelig en het is belangrijk dat prikkels zoveel mogelijk vermeden worden. Door aanpassing van de huidige slaapkamer –met het aanbrengen van geluidsisolatie – worden geluiden optimaal buiten gesloten. Door deze aanpassingen wordt [voornaam verzoekster] volgens het college voldoende gecompenseerd.
Daarnaast zijn de huidige slaapkamer en badkamer volgens het college voldoende groot. Deze ruimtes voldoen aan de maten die zijn vermeld in de Beleidsregels Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Bergen op Zoom 2018. Deze maten zijn gebaseerd op het Handboek voor Toegankelijkheid en is toegespitst op een volwassen persoon die volledig rolstoelafhankelijk is, waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheid van hulpmiddelen, het kunnen hanteren van een draaicirkel en het kunnen verzorgen van die persoon. Ook gelet op hetgeen Argonaut heeft aangegeven acht het college de huidige slaapkamer en de badkamer voldoende groot.
Het college concludeert dat [voornaam verzoekster] reeds in de meeste geschikte woning woont als geluidsisolatie wordt aangebracht. Daarnaast hebben [voornaam verzoekster]’s ouders een nieuwe woning gekocht zonder zijn toestemming. Het college wijst het verzoek om aanpassing van de nieuwe woning door aanbouw van een slaapkamer en badkamer dan ook af.
3.
Verzoek
Namens [voornaam verzoekster] is aangevoerd dat de huidige huurwoning niet geschikt is en ook niet geschikt te maken is. De huidige slaapkamer en badkamer voldoen qua grootte niet en de slaapkamer is niet afdoende geluidsdicht te maken. Het college heeft tijdens de hoorzitting erkend dat die woning niet geschikt is en dat een aanbouw bij de nieuwe koopwoning is aangewezen, mede gelet op de toekomst. Dit blijkt ook uit het advies van Argonaut. Het college is in het bestreden besluit, in strijd met het vertrouwensbeginsel, echter teruggekomen op zijn standpunt dat de huurwoning niet geschikt is en negeert het advies van Argonaut.
Voor zowel de gezondheid van [voornaam verzoekster] als de financiële situatie van haar ouders is het van belang dat de aanbouw zo snel mogelijk wordt gerealiseerd. [voornaam verzoekster] heeft een geluidsdichte kamer nodig. Die is er nu niet. Haar broertje [naam broer] moet daarom altijd stil zijn en dat is niet goed voor een jongetje van 9 jaar. De ouders hebben op dit moment dubbele maandlasten, voor zowel de huur als de hypotheek. Zij houden slechts € 32,- per maand over. Daarnaast moeten zij het honorarium van ruim € 500,- aan de architect betalen en leges van ruim
€ 300,- voor de omgevingsvergunning. De kosten van de aanbouw worden geschat op bijna € 69.000,- en de 1e termijn van dit bedrag is € 15.000,-.
Namens [voornaam verzoekster] is aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Gevraagd wordt een voorschot van minimaal € 15.000,-, zodat kan worden gestart met de realisatie van de aanbouw met slaapkamer en badkamer voor haar en zo snel mogelijk verhuisd kan worden naar de nieuwe woning.
4.
Toetsingskader
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.
5.
Oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt voorop, gelet op voormeld toetsingskader, dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Van onverwijlde spoed is sprake, wanneer een besluit onomkeerbare gevolgen heeft en een besluit op bezwaar of uitspraak op het beroep niet kan worden afgewacht. Daarbij dient sprake te zijn van een zelfstandig spoedeisend belang bij een te treffen voorlopige voorziening. Een financieel belang levert in beginsel geen onverwijlde spoed op. Slechts in geval van een (financiële) noodsituatie kan onverwijlde spoed worden aangenomen.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat er op dit moment sprake is van een (financiële) noodsituatie. Dat blijkt ook niet uit het verstrekte overzicht van inkomsten en uitgaven van de ouders van [voornaam verzoekster]. Hieruit blijkt dat er, ondanks dubbele maandlasten, maandelijks nog een positief bedrag van € 32,- overblijft. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat [voornaam verzoekster] in een onomkeerbare situatie komt te verkeren. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat zij nog steeds gebruik kan maken van de slaapkamer en badkamer in de huidige (huur)woning.
Daarnaast acht de voorzieningenrechter hetgeen namens [voornaam verzoekster] wordt gevraagd, gelet op de aard van een voorlopige voorzieningenprocedure, verstrekkend. Verzocht is om een voorschot van € 15.000,- om te kunnen starten met bouwkundige voorzieningen waarmee aanzienlijke kosten zijn gemoeid. Als deze voorzieningen eenmaal getroffen zijn, kunnen ze niet gemakkelijk weer ongedaan worden gemaakt. Het treffen van dergelijke voorzieningen heeft dan geen voorlopig karakter en is in beginsel daarom te verstrekkend om als voorlopige voorziening te treffen in afwachting van een uitspraak in de beroepsprocedure.
Bovendien acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat met het voorschot (op korte termijn) kan worden bereikt hetgeen wordt beoogd: verhuizen naar de nieuwe koopwoning. Voor zover met alleen een voorschot kan worden gestart met de aanbouw is daarmee namelijk nog geen sprake van een complete aanbouw met badkamer en slaapkamer.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [voornaam verzoekster] geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als nu al blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in stand zal blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
6.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 23 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.