Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen
( [naam verzoekers] )te [naam woonplaats] , verzoekers
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente Breda om een verbeurde dwangsom te innen wegens het niet beëindigen van het met het Bouwbesluit strijdige gebruik van een wooneenheid voor kamergewijze verhuur. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar stelde verzoekers beroep in tegen dit besluit.
De gemeente trok het bestreden besluit op 5 augustus 2021 in, omdat niet onomstotelijk vaststond dat de overtreding na afloop van de begunstigingstermijn nog bestond. Naar aanleiding hiervan trokken verzoekers hun beroep in en verzochten om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente aan het beroep tegemoet was gekomen en dat het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was. De rechtbank veroordeelde de gemeente tot vergoeding van € 1.282,- aan proceskosten voor rechtsbijstand en wees erop dat het griffierecht van € 181,- door de gemeente vergoed moet worden.
De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 21 december 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gemeente Breda tot vergoeding van € 1.282,- aan proceskosten na intrekking van het dwangsominvorderingsbesluit.