Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarin de inspecteur de aftrek van € 2.600 aan weekenduitgaven voor gehandicapten weigerde. Belanghebbende is bewindvoerder van zijn broer, die een CIZ-indicatie heeft en verstandelijk gehandicapt is. Hij voerde aan dat hij de zorg voor zijn broer grotendeels zelf op zich heeft genomen omdat er geen passende instelling was.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 6.25 van de Wet IB 2001 alleen uitgaven in aanmerking komen als de gehandicapte doorgaans in een inrichting verblijft. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn broer in 2018 doorgaans in een inrichting verbleef; integendeel, de broer verbleef deels bij belanghebbende thuis en deels was geen adres bekend.
Daarom kwalificeren de gemaakte uitgaven niet als aftrekbare weekenduitgaven voor gehandicapten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de broer doorgaans in een inrichting verbleef.