De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door conflicten tussen de ouders en gebrekkige communicatie. De jongste minderjarige ervaart veel spanning bij contact met zijn vader en zit klem tussen zijn ouders, wat zijn ontwikkeling bedreigt. De oudste minderjarige heeft al vier jaar geen contact met haar vader en wil dit ook niet.
Tijdens de mondelinge behandeling werden de kinderen, ouders, Raad en gecertificeerde instelling gehoord. De moeder is tegen het verzoek en vindt dat het goed gaat met de kinderen, terwijl de vader instemt met het verzoek en openstaat voor hulpverlening. De gecertificeerde instelling deelt de zorgen over de jongste minderjarige, maar twijfelt aan de toegevoegde waarde van ondertoezichtstelling voor de oudste.
De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling is voldaan voor de jongste minderjarige, gezien zijn ernstige bedreiging en het ontbreken van resultaat in vrijwillige hulpverlening. Voor de oudste minderjarige is een ondertoezichtstelling niet passend vanwege haar leeftijd, standvastige keuze en het risico op averechts effect. De beschikking stelt de jongste minderjarige onder toezicht voor negen maanden en wijst het verzoek voor de oudste af.