Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Feiten en omstandigheden
Beroepsgronden
Beoordelingskader
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Eiser heeft in bezwaar immers de ontheffingsbeschikking van het college overgelegd. Verweerder diende hierover een standpunt in te nemen en kon dan ook niet concluderen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Verweerder heeft zich pas in het bestreden besluit uitgelaten over de betekenis van de ontheffingsbeschikking van het college voor deze procedure. Daardoor is eiser ten onrechte de mogelijkheid onthouden zich, voorafgaande aan dat besluit, over dat standpunt uit te laten. Dit betekent dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. Hij is immers voldoende in de gelegenheid geweest om in de beroepsprocedure zijn bezwaren kenbaar te maken en heeft ook van die mogelijkheid gebruik gemaakt.
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Bijlage
1. Geen verplichting tot het afleggen van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het besluit heeft uitsluitend de verzoeker, die ongeletterd is in de eigen en de Nederlandse taal, en van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, waaronder mede wordt verstaan aantoonbaar geleverde inspanning om zich te alfabetiseren in de Nederlandse taal, niet meer kan worden verwacht dat hij binnen een tijdsbestek van vijf jaar de schriftelijke vaardigheden in het Nederlands zal beheersen op het in deze Regeling gewenste niveau, en die de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering met succes heeft afgelegd.
(…)
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (oud)
Let op! Een verzoeker kan zich dus vanaf 1 juli 2013 niet meer wenden tot het [naam school 2] voor een haalbaarheidsonderzoek. Alle adviezen van aanvragen ingediend vóór 1 juli 2013 kunnen worden betrokken in de besluitvorming, op voorwaarde dat het advies van het ROC op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder is dan vijf jaar.
(…)
3. Het college kan op aanvraag de termijn, genoemd in het eerste lid, buiten toepassing laten, indien toepassing daarvan naar zijn oordeel, gelet op de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.