Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[belanghebbende] wonende te [woonplaats], belanghebbende,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting nadat tijdens een controle werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was voldaan voor een voertuig geparkeerd op een locatie waar betaald parkeren geldt.
Belanghebbende voerde aan dat hij slechts kortstondig had stilgestaan om een persoon af te zetten en een koffer uit te laden, wat volgens de Verordening parkeerbelastingen Breda 2020 niet als parkeren geldt. De rechtbank overwoog dat de heffingsambtenaar onvoldoende bewijs had geleverd dat sprake was van parkeren, mede omdat de situatie zoals door belanghebbende geschetst niet was betwist en de foto’s onvoldoende waren om parkeren aan te tonen.
De rechtbank oordeelde dat het korte moment van stilstand kan vallen onder het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en dat de naheffingsaanslag daarom onterecht was opgelegd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende.
Daarnaast werd een verzoek om uitstel van de zitting afgewezen omdat de gemachtigde niet beschikbaar was binnen het afgesproken tijdsbestek, ondanks uitloop van de zitting. De zaak werd mondeling behandeld en direct beslist op de zitting van 12 november 2021.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd omdat niet is vastgesteld dat sprake was van parkeren.