ECLI:NL:RBZWB:2021:552
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake NOW-3 voorschotten wegens twijfel over werknemerschap
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor voorschotten op grond van de derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3) voor de periode oktober 2020 tot en met juni 2021. De minister heeft de aanvraag afgewezen vanwege twijfels over de vraag of de medewerkster van verzoekster als werknemer in de zin van de NOW-3 kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang van verzoekster aangenomen en de zaak inhoudelijk beoordeeld.
Uit de stukken blijkt dat de medewerkster 100% van de aandelen in een ander bedrijf bezit dat 40% van de aandelen in verzoekster heeft. De medewerkster is sinds januari 2020 in dienst en ontvangt een bruto maandsalaris van €9.000 terwijl de omzet van verzoekster in het eerste kwartaal 2020 lager was. Tevens waren loonheffingen nog niet betaald. Verzoekster heeft niet alle gevraagde bewijsstukken overgelegd en kon onvoldoende uitleg geven over de loonbetalingen, waaronder een ongebruikelijke vooruitbetaling van loon tot december 2020.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister terecht twijfels had over het werknemerschap en dat het niet toekennen van voorschotten gerechtvaardigd is. De motivering van het besluit is summier, maar de bezwaarprocedure biedt ruimte voor nadere motivering. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit onrechtmatig is, zodat het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat voldaan is aan de NOW-3 voorwaarden.