Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was raadslid en ontving een raadsvergoeding die hij aanvankelijk in zijn BV verantwoordde, maar later als inkomen uit overige werkzaamheden moest aangeven. Voor het jaar 2014 werd een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd met belastingrente. Belanghebbende vroeg om ambtshalve vermindering, maar dit verzoek werd afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn van vijf jaar.
Voor het jaar 2015 werd eveneens een aanslag opgelegd waartegen belanghebbende bezwaar maakte. Het beroep tegen de aanslag 2015 werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat werd ontvangen en niet tijdig ter post was bezorgd. Belanghebbende stelde dat hij digitaal beroep had ingediend, maar hiervan was geen bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding voor 2014 niet verschoonbaar was, omdat belanghebbende tijdig had kunnen reageren op de aanslagen. Voor 2015 was de beroepstermijn van openbare orde en kon geen uitzondering worden gemaakt. De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert op 28 oktober 2021 te Breda.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag 2014 is ongegrond verklaard en het beroep tegen de aanslag 2015 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.