Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2014 tot en met 2019, omdat hij meende dat sprake was van dubbele heffing van de lijfrente-uitkering. Over het lijfrentekapitaal was reeds erfbelasting betaald na het overlijden van zijn broer in 2014. De inspecteur verklaarde de bezwaren over 2014-2018 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af, terwijl het bezwaar over 2019 werd afgewezen.
De rechtbank behandelde de zaak inhoudelijk na instemming van partijen met het overslaan van de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat de lijfrente-uitkering terecht is belast in box 1 van de IB/PVV, omdat de wet- en regelgeving geen vrijstelling bieden voor dubbele heffing. De eerdere erfbelastingheffing over het lijfrentekapitaal is het gevolg van eigen handelen van belanghebbende en het verstrijken van de vijfjaarstermijn sluit herstel uit.
Belanghebbendes beroep op redelijkheid en billijkheid werd verworpen, omdat de rechter gebonden is aan de wet en deze niet mag toetsen op billijkheid. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014-2019 worden ongegrond verklaard.