Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 22 oktober 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
gemachtigde: mr. P.S. Folsche,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het vermeende niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op haar aanvraag studiefinanciering voor het kalenderjaar 2021. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb besloten de zaak zonder zitting te behandelen.
De minister heeft toegelicht dat eiseres op 16 juli 2020 een aanvraag studiefinanciering heeft ingediend en dat op 3 september 2020 de aanvullende beurs is afgewezen, terwijl op 14 oktober 2020 een collegegeldkrediet voor 2021 is toegekend. Een nieuwe aanvraag aanvullende beurs is pas op 7 juni 2021 ingediend. Op 2 juni 2021 heeft de minister besloten dat er geen openstaande aanvraag meer was waarvoor een besluit moest worden genomen.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit op 2 juni 2021 het uitblijven van een besluit over de studiefinanciering voor 2021 uitsluit. Het geschil over de noodzaak van een nieuwe aanvraag kan in de lopende bezwaarprocedure worden behandeld. Daarom is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Tegen het besluit van 2 juni 2021 is bezwaar mogelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister op 2 juni 2021 een besluit heeft genomen over de studiefinancieringsaanvraag.