ECLI:NL:RBZWB:2021:5210

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 oktober 2021
Publicatiedatum
15 oktober 2021
Zaaknummer
AWB- 21_2143
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij WOB-verzoek

Eiseres diende een beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda, waarin haar bezwaar tegen een eerdere beslissing op een WOB-verzoek ongegrond werd verklaard. Het bestreden besluit dateerde van 2 februari 2021, terwijl het beroepschrift pas op 18 mei 2021 werd ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken.

Eiseres voerde aan dat zij goede redenen had voor de termijnoverschrijding, onder meer omdat een ambtenaar haar had geadviseerd om zaken niet via de rechtbank te laten verlopen en zij geen reactie kreeg op haar verzoeken om nadere motivering van het college. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden de overschrijding niet verschoonbaar maakten.

De rechtbank benadrukte dat de beroepstermijn van zes weken duidelijk was vermeld en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij binnen die termijn niet in staat was het beroepschrift in te dienen. Daarom werd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/2143 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 1 oktober 2020 over haar verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 18 mei 2021 beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. Het bestreden besluit dateert van 2 februari 2021 en eiseres heeft daartegen op 18 mei 2021 beroep ingesteld, wat ruim buiten de beroepstermijn is. Eiseres is dus te laat met het indienen van haar beroepschrift bij de rechtbank. Het beroep is daarom in principe niet-ontvankelijk.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij goede redenen had voor de termijnoverschrijding. Ze kreeg via de mail op 3 februari 2021 te horen van een ambtenaar van de gemeente Breda dat ‘het zonde is van ieders tijd om zaken via de rechtbank te laten verlopen’. Eiseres heeft vervolgens meerdere brieven verzonden naar het college en de burgemeester van de gemeente Breda om het college te bewegen alsnog een motivering te overleggen over de drank- en horecavergunning voor het [naam bedrijf] in het [adres] te [plaatsnaam] , maar zij kreeg hierop geen reactie.
4. De door eiseres aangevoerde omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat een ambtenaar van de gemeente Breda heeft geopperd om in onderling overleg tot een oplossing te komen, betekent niet dat eiseres de termijnen voor het indienen van beroep niet langer in acht hoefde te nemen. De beroepstermijn bedraagt zes weken. Deze termijn is ook vermeld in het bestreden besluit. Eiseres heeft niet gesteld, en aan de rechtbank is niet gebleken, dat eiseres in die periode van zes weken niet in staat was om een beroepschrift in te dienen.
5. Omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 14 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om te uitspraak te tekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.