6.3Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op vijftienjarige leeftijd een ernstig strafbaar feit gepleegd, te weten een overval op een tankstation. Hierbij heeft hij de aanwezige medewerkster bedreigd met een broodmes en zijn er tabakswaren en een geldbedrag weggenomen. Het zien van het mes moet het slachtoffer vreselijk bang hebben gemaakt. Verdachte heeft met zijn handelen op geen enkele wijze respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de eigendommen van een ander. Hij heeft bij het plegen van dit feit kennelijk alleen aan zijn eigen (financiële) behoefte gedacht en er niet over nagedacht dat hij daarmee het slachtoffer leed en schade zou kunnen toebrengen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten doorgaans nadelige psychische gevolgen voor de slachtoffers met zich meebrengen. Ook in het algemeen maakt dit soort feiten een grove inbreuk op de rechtsorde en versterkt en bevestigt het de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.
De rechtbank vindt dit alles zeer ernstig en vindt het bovendien zorgelijk dat verdachte, die nog jong is, relatief makkelijk heeft besloten tot het plegen van zo’n ernstig feit. Verdachte is daarbij berekenend te werk gegaan. Blijkens zijn verklaring heeft hij het mes gekocht om de overval te plegen. Uit de over verdachte uitgebrachte rapporten komt naar voren dat verdachte door derden onder druk zou zijn gezet om deze overval te plegen, maar daar heeft hij zich verder niet over willen uitlaten.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 13 augustus 2021, waaruit blijkt dat hij eerder transacties heeft gekregen voor vermogensdelicten.
Gezondheidszorgpsycholoog drs. [naam 2] heeft op 6 december 2020 een rapport over verdachte opgemaakt. De rechtbank noemt hieruit een paar onderdelen die bij haar beslissing een rol hebben gespeeld. Bij verdachte is sprake van een oppositioneel opstandige en normoverschrijdende gedragsstoornis. Hieraan ten grondslag liggen hechtings- en identiteitsproblemen en ouder-kind relatieproblemen. Verdachte laat een zelfbepalende houding zien, heeft moeite met regels en gezag en zijn gewetensontwikkeling is gebrekkig. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en is daarop van invloed geweest. Verdachte is echter in staat het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien. Hij wordt voldoende in staat geacht zijn wil conform dit besef te bepalen. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard, wordt geadviseerd om dit volledig aan hem toe te rekenen.
De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.
De psycholoog concludeert dat de kans op herhaling als matig tot hoog wordt ingeschat indien verdachte niet behandeld wordt. Hij is op dit moment sterk afhankelijk van een omgeving waarin hij structuur en een adequate begrenzing ervaart. Het is van belang dat hij effectieve copingvaardigheden in probleemsituaties ontwikkelt en gemotiveerd raakt voor behandeling. Geadviseerd wordt om, om de kans op recidive te voorkomen en om zijn ontwikkeling in gunstige zin te bevorderen, de jeugdreclasseringsbegeleiding voort te zetten. Verder wordt als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf geadviseerd de verplichting om mee te werken aan een (individueel) behandeltraject zodat hij leert omgaan met zijn emoties en zijn opstandige en normoverschrijdende gedragingen.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over verdachte opgemaakt, gedateerd 22 september 2021. De Raad maakt zich zorgen over de morele ontwikkeling van verdachte. Het versterken van zijn inzicht en vaardigheden kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van herhaling. Verdachte verblijft sinds 30 september 2020 binnen een instelling voor gesloten jeugdhulp van Via Almata. In eerste instantie was hij niet gemotiveerd om mee te werken, maar sinds januari 2021 is er een gedragsverandering bij verdachte te zien. Hij is gemotiveerd en werkt mee aan de voor hem noodzakelijk behandeling en therapie. Eind september zal hij doorstromen naar een fasehuis van Via Almata. De hulpverlening zal zich gaan richten op het vergroten van zijn zelfstandigheid. Het is van groot belang de huidige positieve ontwikkeling vast te houden.
Een leerstraf gericht op het vergroten van vaardigheden en/of agressieregulatie is overwogen maar is niet geïndiceerd omdat binnen het kader van de door Via Almata ingezette therapie en behandeling hierop reeds wordt ingezet. Geadviseerd wordt om aan verdachte bij een bewezenverklaring een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De focus moet liggen op de inzet van gedwongen hulpverlening, het waarborgen van de voortgang daarvan en, indien noodzakelijk, het bijsturen van deze hulpverlening. Aan het voorwaardelijk deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals opgenomen in het adviesrapport van de Raad met een proeftijd van twee jaar. De Raad adviseert de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Ter terechtzitting heeft de raadsvertegenwoordigster het advies gehandhaafd. Zij heeft benadrukt dat het van belang is dat verdachte zal blijven meewerken aan de behandeling en therapie en dat hij daarnaast scholing en een zinvolle dagbesteding heeft.
Namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland heeft de jeugdreclasseerder tijdens de zitting naar voren gebracht dat verdachte zich sinds half januari 2021 positief heeft ontwikkeld. Hij werkt mee en houdt zich aan de afspraken. Dit heeft er in geresulteerd dat hij vrijdag is uitgestroomd naar een FaseHuis in Roosendaal in afwachting van de overplaatsing naar het FaseHuis in Middelburg. Verdachte staat open voor feedback. Hij kan goed verwoorden hoe hij in een situatie staat, maar denkt ook na over visies van anderen. Dat is een goede vaardigheid die hij inmiddels heeft verworven. De jeugdreclasseerder kan zich vinden in het advies van de Raad.
Conclusies van de rechtbank
Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Hij heeft gedurende een jaar in het kader van een civielrechtelijk maatregel in een gesloten instelling verbleven. Recent is hij doorgestroomd naar een FaseHuis van Via Almata.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en in verband met een juiste normhandhaving, niet anders kan worden gereageerd dan met een jeugddetentie. Zij acht op grond van het voorgaande een jeugddetentie van 197 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar passend en geboden en zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen. Dit betekent dat verdachte niet meer terug hoeft naar de jeugdinrichting, nu hij het onvoorwaardelijk deel reeds in voorarrest heeft uitgezeten. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals door de Raad geadviseerd en door de officier van justitie gevorderd, om de positieve ontwikkeling van verdachte te borgen. Behandeling en begeleiding van verdachte zijn, gelet op de adviezen van de deskundigen, nog steeds nodig voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Dit kan in het civielrechtelijk kader worden gerealiseerd. Verdachte lijkt mee te werken aan het voor hem voorziene traject. De rechtbank heeft echter nog wel haar twijfels bij de intrinsieke motivatie voor behandeling bij verdachte en of hij deze kan blijven opbrengen, nu hij daar ter terechtzitting weinig van heeft laten zien. Zij hoopt dat de voorwaardelijke straf en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden verdachte extra motiveren om de behandeling en begeleiding voort te zetten, maar ook dat het hem helpt om in de toekomst geen strafbare feiten meer te plegen.
Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf van 80 uur opleggen. Zij vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van een werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen. De rechtbank ziet aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd, omdat zij het belangrijk vindt dat verdachte zich kan gaan richten op zijn scholing en behandeling.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de over verdachte uitgebrachte rapportages en wat ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.