Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 februari 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal en heling van diverse goederen en het bezit van een machinepistool met geluiddemper. De zaak betrof feiten uit de periode 2012-2014 en werd voor het eerst inhoudelijk behandeld in maart 2015. Sindsdien lag het onderzoek stil.
De officier van justitie vorderde niet-ontvankelijkheid wegens de lange stilstand en het ontbreken van strafrechtelijke doelen zoals speciale en generale preventie. De verdediging zag geen bezwaar tegen deze vordering. De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn zodanig ernstig was dat de beginselen van een behoorlijke procesorde waren geschonden, wat de waarheidsvinding in gevaar bracht.
Daarnaast speelde mee dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten had gepleegd, er geen benadeelden waren die belang hadden bij voortzetting, en dat de vervolging niet langer opportuun was. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.