Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
€ 10
€ 85
€ 1.954 -/-
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2017 en 2018. Hij stelde dat de aanslag 2017 een te betalen bedrag van nihil had moeten vermelden en dat de aanslag 2018 met € 556 te hoog was. Tevens stelde hij dat zijn hoorrecht in de bezwaarprocedure was geschonden.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende in de bezwaarfase van de aanslag 2017 telefonisch is gehoord met wederzijds goedvinden, waardoor geen sprake was van schending van het hoorrecht. Voor de aanslag 2018 had belanghebbende geen verzoek tot hoorzitting gedaan en maakte geen gebruik van de geboden gelegenheid, zodat ook daar geen schending was.
De rechtbank oordeelde dat de aanslagbiljetten 2017 en 2018 de juiste bedragen vermeldden, waarbij de verrekening van voorlopige aanslagen en openstaande schulden niet tot wijziging van de aanslagen leidt. De rechtbank is onbevoegd om te oordelen over verrekening door de ontvanger en openstaande belastingschulden. Het verzoek om schadevergoeding wegens leed en overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de beroepen ongegrond waren en de uitspraak binnen de redelijke termijn plaatsvond.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen 2017 en 2018 worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.