4
Het advies van [Naam 1] en [Naam 2] , beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum
De externe gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat bij betrokkene sprake is van pedofilie van het niet exclusieve type. Zij sluiten, zeker gezien de houding van betrokkene binnen de behandeling en het huidige onderzoek, echter niet uit dat de seksuele problematiek meer prominent aanwezig is dan betrokkene ten tijde van het onderzoek doet voorkomen.
Op grond hiervan komen de externe gedragsdeskundigen tot de conclusie dat er bij betrokkene in classificerende zin sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken en trekken uit cluster B (antisociaal/narcistisch). Volgens de externe gedragsdeskundigen is er bij betrokkene sprake van een sterke verwevenheid van de pedofiele stoornis en zijn persoonlijkheidsproblematiek. Voor de behandeling betekent dit dat aan beide componenten aandacht besteed dient te worden waarbij primaire aanpak van de persoonlijkheidsproblematiek het verdere behandeltraject ten aanzien van de seksuele problematiek zou kunnen bespoedigen.
Indien betrokkene op dit moment onbehandeld zou terugkeren in de maatschappij wordt het
risico op het plegen van hands-on delicten (met geweld) op de middellange termijn
door de externe gedragsdeskundigen als matig tot hoog geschat. Met name de pedofiele gevoelens en het gebrek aan zicht en inzicht hierop, de neiging tot externaliseren, de problemen in de persoonlijkheid en de gebrekkige copingvaardigheden van betrokkene spelen hierin een rol.
De externe gedragsdeskundigen zijn van mening dat, gelet op voornoemde elementen die het recidiverisico bepalen, het van belang is dat de klinische behandeling van betrokkene geïntensiveerd wordt en meer wordt toegespitst op het exploreren en het behandelen van de pedofiele stoornis, het afnemen van een nieuwe, volledige seksuele anamnese met behulp van een seksuoloog, het vernieuwen van de delictanalyse en het behandelen van de persoonlijkheidspathologie. Hierbij zullen tevens langdurig toezicht en controle noodzakelijk zijn.
Samenvattend wordt door de externe gedragsdeskundigen gesteld dat betrokkene nog aan het begin van zijn behandeling staat. Er is nog veel verdieping nodig en gezien de ernst en verwevenheid van de pathologie en de neiging tot vermijding van betrokkene, loochening en schijnaanpassing wordt ingeschat dat er nog langdurig klinische behandeling nodig zal zijn.
De externe gedragsdeskundigen adviseren dan ook de maatregel terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van twee jaar en, gezien de nog te verwachten behandelduur en intensiteit, het bevel tot verpleging te continueren.