ECLI:NL:RBZWB:2021:4116

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5155
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten voor recreatieterrein

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 juli 2021 uitspraak gedaan in een geschil tussen een belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant over een aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2017. De belanghebbende, die in het verleden een camping exploiteerde, ontving een voorlopige aanslag van € 31.644,- en later een definitieve aanslag van € 37.730,20. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar van de belanghebbende ongegrond, waarop de belanghebbende beroep instelde.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanslag betrekking had op een terrein dat in feite niet meer als recreatieterrein werd geëxploiteerd, maar als een woonwijk, aangezien alle stacaravans permanent bewoond waren. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke omstandigheden bepalend zijn voor de vraag of het terrein voor verblijfsrecreatie bestemd is, en niet de inschrijving in de Kamer van Koophandel of het bestemmingsplan. De rechtbank concludeerde dat de aanslag ten onrechte was opgelegd, omdat er in de eerste helft van 2017 geen sprake meer was van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslag en de uitspraak op bezwaar, en gelastte de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 345,- te vergoeden. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet was aangetoond dat de belanghebbende kosten had gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
Zaaknummer BRE 19/5155

uitspraak van 16 juli 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten, gedagtekend 31 maart 2017 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] , opgelegd voor een bedrag van € 31.644,- (hierna: de voorlopige aanslag).
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten, gedagtekend 31 mei 2018 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] , opgelegd voor een bedrag van € 37.730,20 (hierna: de aanslag). De voorlopige aanslag is met deze aanslag verrekend.
Belanghebbende heeft ook bezwaar gemaakt tegen de aanslag. In de uitspraak op bezwaar van 17 september 2019 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 juni 2021. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [gemachtigde] . De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [heffingsambtenaar] .

Overwegingen

Feiten
1. De aanslag zuiveringsheffing betreft het terrein dat plaatselijk bekend staat als [camping] , dat in eigendom is van belanghebbende. De aanslag is opgelegd voor de periode van [periode] 2017. Vanaf [datum] 2017 is het beheer van [camping] overgenomen door de gemeente [gemeente] .
Standpunten
2. Belanghebbende heeft gesteld dat niet zij als recreatiebedrijf moet worden aangeslagen voor de zuiveringsheffing van het gehele terrein, maar dat er een aanslag dient te komen per onderkomen per maand dat het bewoond was of aan de bewoners zelf. De reden is dat van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein in 2017 geen sprake (meer) was.
[belanghebbende] was in het verleden een camping, waar standplaatsen verhuurd werden. De stacaravans waren eigendom van de bewoners. Door acties van de gemeente [gemeente] , die sinds 2010 diverse pogingen heeft gedaan om de camping te sluiten, zijn de recreanten weggegaan. Er kwamen huishoudens in de stacaravans wonen. Belanghebbende heeft zich vervolgens ingespannen dat de bewoners van de stacaravans zich konden inschrijven bij de gemeente. De gemeente was daar niet blij mee, maar wonen was volgens het bestemmingsplan toegestaan. In 2017 waren alle recreatievoorzieningen al gesloten. Iedere stacaravan had zijn eigen keuken, wc en douche. Alleen het zwembad is in de zomer nog één keer gevuld voor de bewoners. In 2017 is evenmin toeristenbelasting betaald, omdat er helemaal geen recreatieve overnachtingen waren. Er was alleen nog sprake van permanente bewoning op het terrein.
Tevens heeft belanghebbende de hoogte van het waterverbruik betwist. Gelet op de cijfers uit het verleden is het gigantische waterverbruik onverklaarbaar.
3. De heffingsambtenaar stelt dat [belanghebbende] als belastingplichtige voor de zuiveringsheffing dient te worden aangemerkt, omdat sprake is van voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein, dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Dat sprake is hiervan blijkt al uit de inschrijving in de Kamer van Koophandel, waarin als activiteit wordt genoemd: de exploitatie van een recreatiepark. Ook volgens het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘verblijfsrecreatie’. Naar zijn mening is er daarom sprake van een terrein dat voor verblijfsrecreatie bestemd is in de zin van de Verordening en wordt belanghebbende op grond hiervan terecht in de zuiveringsheffing betrokken. Tot slot is de heffingsambtenaar van mening dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.
Geschil
4. In geschil is of de aanslag zuiveringsheffing over 2017 terecht en voor een niet te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
Juridisch kader
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de aanslag zuiveringsheffing terecht aan belanghebbende opgelegd?
6. Ingevolge artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet (Wsw) wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op één of drie vervuilingseenheden (forfaitaire heffing). Ingevolge het vijfde lid van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Deze woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
7. De Verordening bepaalt in artikel 3, tweede lid, onder a, dat als belastingplichtige wordt aangemerkt degene die het gebruik heeft van die bedrijfsruimte. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de Verordening worden (in lijn met artikel 122h, vijfde lid, van de Wsw) woonruimten die voor recreatiedoeleinden zijn bestemd en die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd, tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte.
8. Naar het oordeel van de rechtbank dient de bestemming van woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein in feitelijke zin te worden uitgelegd en niet in planologische zin. Hieruit volgt dat de bestemming volgens het bestemmingsplan of de activiteiten volgens de Kamer van Koophandel niet van doorslaggevend belang zijn. De feitelijke omstandigheden zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of het terrein voor verblijfsrecreatie bestemd is.
Tussen partijen is niet in geschil dat de stacaravans op het terrein al jaren, in ieder geval ook al in 2017, allemaal permanent worden bewoond en niet worden gebruikt voor recreatiedoeleinden, met kennelijk destijds goedvinden van het gemeentebestuur. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat het terrein geen gedeelde voorzieningen (zoals bijvoorbeeld wasgelegenheid en toiletvoorzieningen) meer kende, zoals op een verblijfsrecreatieterrein gebruikelijk is. Het enkele feit dat er in de zomerperiode het zwembad gevuld is geweest, staat aan de conclusie dat er feitelijk geen sprake meer is van een recreatieterrein niet in de weg. Ook het feit dat er in 2017 geen toeristenbelasting is betaald, duidt op permanente bewoning van het terrein.
9. De rechtbank is gelet op alle voornoemde omstandigheden van oordeel dat in de eerste helft van 2017 geen sprake (meer) was van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig werd geëxploiteerd. Veeleer was, zoals ook door de gemeente [gemeente] is aangenomen, sprake van een in de gemeente gelegen woonwijk. De aanslag zuiveringsheffing is daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie
10. Gelet op het vorenstaande zal het beroep gegrond worden verklaard. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Proceskosten en griffierecht
11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
12. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 345,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag;
- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.H.M. Venmans, griffier, op 16 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, de rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bijlage

Waterschapswet

Artikel 122h

1. In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.
(…)
5. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
Verordening op de heffing en invordering van zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2017

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:
(…)
d. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;
e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.
(…)

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

(…)
2. Aan de heffing worden onderworpen:
a. Ter zake het afvoeren van uit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
(…)

Artikel 16 Vervuilingswaarde van woonruimten

1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilings-waarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één vervuilingseenheid.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
(…)