Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, ontving in 2019 AOW-uitkeringen uit Nederland waarop loonheffingen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) werden ingehouden. Hij diende op 31 december 2019 een aanvraag tot vrijstelling van loonheffing in met ingang van 1 januari 2019, die door de inspecteur op 22 april 2020 werd toegekend met ingang van 1 januari 2020.
Belanghebbende stuurde op 6 mei 2020 een brief die als bezwaar tegen de inhouding van loonheffingen over 2019 werd aangemerkt, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken. De inspecteur weigerde een ambtshalve vermindering, verwijzend naar de mogelijkheid om via de aangifte inkomstenbelasting de ingehouden loonheffingen terug te vorderen.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar niet tijdig was ingediend en dat belanghebbende geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding heeft aangevoerd. Hoewel de vraag rijst of de aanvraag vrijstelling als bezwaar kan gelden, acht de rechtbank dit niet aannemelijk omdat de aanslag inkomstenbelasting inmiddels de loonheffingen geheel heeft vrijgesteld en teruggegeven.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het geschil is daarmee definitief beslecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen inhouding loonheffingen AOW 2019 is ongegrond verklaard.