Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
- de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de zaken met nummers BRE 20-8121, BRE 20-10005 en BRE 20-10006;
- het wrakingsverzoek van verzoeker, ontvangen op 1 juli 2021;
- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechter, ontvangen op
2.Het verzoek
3.Feiten
4.Het standpunt van verzoeker
- zij in de procedure met zaaknummer 20-10005 op 25 mei 2021 uitspraak heeft gedaan, zonder verzoeker daaraan voorafgaand te horen, omdat hij daarom niet zou hebben verzocht, terwijl hij dat verzoek wel uitdrukkelijk in zijn verzetschrift heeft opgenomen;
- zij, nadat verzoeker heeft gewezen op de schending van zijn recht gehoord te worden, op 22 juni 2021 middels een hersteluitspraak de eerdere uitspraak vervallen heeft verklaard;
- zij verzoeker vervolgens alsnog ter zitting heeft willen horen, terwijl zij haar inhoudelijke oordeel over het verzet al in de uitspraak van 25 mei 2021 had gegeven;
- zij in de procedures met zaaknummers BRE 20-8121 en BRE 20-10006 heeft geweigerd zich te verschonen, ondanks het verzoek daartoe van verzoeker, vanwege haar betrokkenheid bij de inhoudelijk vergelijkbare procedure met zaaknummer BRE 20-10005 en daarin de hoorplicht geschonden was.
5.Het standpunt van de rechter
- zij abusievelijk over het hoofd heeft gezien dat verzoeker in de procedure met zaaknummer BRE 20-10005 gehoord wilde worden en dat die fout door haar is erkend en hersteld, nadat verzoeker hierop heeft gewezen;
- zij vervolgens verzoeker alsnog de gelegenheid heeft geboden zijn standpunt mondeling ter zitting toe te lichten;
- haar handelen getuigt van het feit dat zij openstond voor de argumenten van verzoeker, ondanks het feit dat zij in de uitspraak van 25 mei 2021 heeft overwogen geen behoefte te hebben gehad om aanvullende vragen aan verzoeker te stellen, omdat zijn argumenten haar duidelijk waren;
- dat zij zich desondanks in staat acht onbevooroordeeld naar de argumenten van verzoeker te luisteren en deze te volgen, indien deze hout snijden en dat zij haar beslissing zal nemen met inachtneming van alle feiten en omstandigheden;
- de enkele omstandigheid dat zij in eerdere vergelijkbare zaken uitspraak heeft gedaan, onvoldoende grond vormt om vrees voor (schijn van) partijdigheid aan te nemen;
- in de procedures met zaaknummers BRE 20-8121 en BRE 20-10006 tijdig is onderkend dat verzoeker gehoord wilde worden en dat hij daarom ook is uitgenodigd voor een zitting.
6.De beoordeling
7.Beslissing
- verklaart het verzoek tot wraking in de procedure met zaaknummer BRE 20-10005 gegrond;
- wijst het verzoek voor het overige af.