Betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €80.000,-, later verlaagd naar €50.000,-.
De rechtbank heeft op basis van een ontnemingsrapportage en bankafschriften het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat. Hierbij is gekeken naar contante stortingen en betalingen die niet verklaard konden worden uit legale inkomsten. Betrokkene kon zijn contante inkomsten niet aannemelijk maken, ondanks zijn verklaring over een koeriersbedrijf en leningen van zijn vader.
De rechtbank verwierp een niet onderbouwde inschatting van verbouwingskosten en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €35.379,54. Betrokkene is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingstermijn van 707 dagen bij niet-betaling.