Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne, het voorbereiden daarvan en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €131.000,-, later gewijzigd naar €34.000,-.
De rechtbank heeft de vordering inhoudelijk behandeld en concludeert dat onvoldoende zekerheid bestaat over het feit of betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft genoten en zo ja, in welke omvang. De berekeningen van het Openbaar Ministerie zijn gebaseerd op aannames over de hoeveelheid cocaïne en betalingen per blok, maar deze zijn niet voldoende onderbouwd in het dossier.
De bewezenverklaring betreft slechts een korte periode van 1 tot en met 8 februari 2020, waarin betrokkene cocaïne heeft bewerkt. Er is geen aannemelijk bewijs dat hij voor deze werkzaamheden betaald heeft gekregen. De rechtbank acht de vordering daarom niet aannemelijk en wijst deze af.