De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 21 juli 2021 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte wegens medeplegen van handel in hennepstekken en het aanwezig hebben van hennepstekken in twee loodsen te Breda.
Uit het onderzoek bleek dat verdachte samen met anderen gedurende vier maanden handel dreef in hennepstekken en op 17 januari 2017 in twee loodsen een grote hoeveelheid hennepstekken aanwezig had. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk betrokken was bij de handel en het aanwezig hebben van de hennepstekken, mede door observaties, camerabeelden, sms-berichten en het feit dat hij de huur van de loodsen contant betaalde.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts probeerde handel op te starten en niet daadwerkelijk handelde, en dat hij niet wist van de hennepstekken in loods 3. Deze verweren werden door de rechtbank verworpen. Gezien de ernst van de feiten, de recidive van verdachte en de maatschappelijke impact van hennephandel, vorderde de officier van justitie een gevangenisstraf.
De rechtbank stelde echter vast dat de redelijke termijn van berechting met ruim 2,5 jaar was overschreden zonder bijzondere omstandigheden. Daarom legde zij een taakstraf van 120 uur op, subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.
De uitspraak benadrukt de ernst van hennephandel en de noodzaak van adequate strafoplegging, ook bij overschrijding van de redelijke termijn.