ECLI:NL:RBZWB:2021:3211
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde hoekwoning na bezwaar en beroep
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning uit 1968 met diverse bijgebouwen en een grondoppervlakte van 365 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2019 aanvankelijk vast op €342.000, welke na bezwaar werd verlaagd naar €297.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde €230.000 voor.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkingsmethode en referentiewoningen die door beide partijen werden aangedragen. De heffingsambtenaar baseerde zich op een waardematrix met drie referentiewoningen, terwijl belanghebbende een taxatierapport en bouwkundige keuring overlegde. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met de slechte onderhoudstoestand van de woning en bijgebouwen, waardoor de waarde te hoog was vastgesteld.
De rechtbank stelde de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €295.000. Tevens kende zij belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van €500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden, waarvan €333,33 voor rekening van de heffingsambtenaar en €166,67 voor de Staat. Daarnaast werden griffierecht en proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de waarde aangepast. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van kosten voor taxatierapporten af omdat deze niet de grondslag vormden voor de beslissing.
Uitkomst: De rechtbank verlaagt de WOZ-waarde naar €295.000 en kent een schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.