Deze strafzaak betreft de verdenking dat verdachte samen met anderen op 4 mei 2018 honden van aangevers zou hebben gestolen of afgedwongen onder bedreiging met geweldsmiddelen, en dat verdachte betrokken zou zijn geweest bij mishandeling van een buurman met een honkbalknuppel.
De rechtbank heeft de zaak inhoudelijk behandeld op 27 mei 2021. De officier van justitie achtte afpersing wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van aangevers, maar sprak verdachte vrij van mishandeling omdat medeverdachte de klap zou hebben uitgedeeld. De verdediging voerde tegenstrijdigheden in verklaringen aan en ontkende medeplegen.
De rechtbank constateerde dat de verklaringen van aangevers op essentiële punten inconsistent en tegenstrijdig waren, waardoor deze onvoldoende betrouwbaar waren. Ook ontbrak ondersteunend bewijs. Voor mishandeling was niet vast te stellen welke verdachte de klap had gegeven, mede doordat het slachtoffer dronken was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten.
De rechtbank merkte op dat het onderliggende civiele geschil tussen partijen anders opgelost had moeten worden, maar dat het strafrechtelijk bewijs ontoereikend was. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 juni 2021.