Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
Onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer
Onbekende donoren
tijdenshet incident, of
daarvóóral aanwezig was op de voordeur, heeft invloed op de te verwachten DNA-sporen. Er is daarom gekozen voor het evalueren van de DNA-resultaten onder beide mogelijkheden. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of zij in het dossier aanwijzingen ziet die betrekking hebben op het ontstaansmoment van de veeg. Zij betrekt hierbij onder andere het feit dat de veeg door verbalisanten als ‘ononderbroken’ wordt omschreven. Deze informatie acht de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis in deze kwestie. Het is ook mogelijk dat de veeg al eerder op de deur zat en dat de dader deze tijdens het incident niet heeft aangeraakt (of niet zodanig dat deze verstoord is geraakt). De rechtbank betrekt hierbij ook het feit dat de deskundige van het TMFI heeft verklaard geen tekenen van ‘afbraak’ te zien in de DNA-kenmerken van verdachte in de bemonstering van de veeg. Deze verklaring kan de rechtbank echter niet vertalen naar een concreet moment van ontstaan van de veeg op de deur. De rechtbank moet concluderen dat het dossier onvoldoende informatie bevat om een onderbouwd oordeel te geven over het ontstaansmoment van de ‘vette veeg’ op de buitenzijde van de voordeur. Zo valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat de veeg is ontstaan toen verdachte twee dagen eerder aan de deur van het slachtoffer stond. Zij zal daarom uitgaan van zowel de mogelijkheid dat de veeg tijdens het incident is ontstaan, als dat deze al vooraf aanwezig was, door uit te gaan van de gezamenlijke reikwijdte van de getrokken conclusies.
5.De benadeelde partij
6.De overwegingen omtrent het beslag.
7.De toepasselijke wetsartikelen.
8.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;