ECLI:NL:RBZWB:2021:2362

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
11 mei 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1449 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening individuele begeleiding Wmo

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout waarin hem individuele begeleiding is toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten vanwege onrust en stress door de formele situatie van zijn zorg.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed, bijvoorbeeld een acute medische noodsituatie. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dergelijke spoedeisendheid. Hoewel hij de voorkeur geeft aan een persoonsgebonden budget (pgb) en zorg van een specifieke zorgverlener, ontvangt hij nog steeds zorg ondanks het ontbreken van formele vergoeding.

De rechter acht het niet onevenredig bezwaarlijk dat verzoeker de beslissing op bezwaar afwacht. Het college heeft in het bestreden besluit individuele begeleiding toegekend in de vorm van zorg in natura (ZIN) voor 3 uur per week, met de mogelijkheid om ook een pgb te ontvangen mits de zorgverlener aan kwaliteitsvoorwaarden voldoet.

De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1449 WMO

uitspraak van 7 mei 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] (verzoeker), te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. C. Van der Ent,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout(het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 2 maart 2021 (bestreden besluit), waarin aan hem individuele begeleiding is toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 3 mei 2021. Namens eiser is zorgverlener [naam zorgverlener] van [naam stichting] verschenen, bijgestaan door [naam kantoorgenoot gemachtigde] , kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] .

Overwegingen

1. Verzoeker heeft op 30 oktober 2020 een aanvraag ingediend op grond van de Wmo. Hij stelt dat hij begeleiding nodig heeft op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren, die is gericht op het functioneren in dagelijkse leefsituaties en het hebben van een gezond sociaal netwerk.
In het bestreden besluit heeft het college aan verzoeker individuele begeleiding toegekend voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 28 februari 2022, in de vorm van zorg in natura (ZIN) met een omvang van 3 uur per week. In het besluit is opgenomen dat het niet is toegestaan om begeleiding middels een persoonsgebonden budget (pgb) af te nemen, onder verwijzing naar een eerder besluit van 30 oktober 2020. Hierin is opgenomen dat eiser moet worden begeleid door een gespecialiseerde zorgaanbieder die aantoonbare ervaring heeft op het gebied van verslavingszorg, en die in staat is om zorg aan te bieden in de vorm van ZIN. Het college heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat verzoeker ook begeleiding kan afnemen middels een pgb, mits de gekozen zorgverlener voldoet aan alle kwaliteitsvoorwaarden.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is in dit geval sprake wanneer een acute medische noodsituatie het voor verzoeker onevenredig bezwaarlijk zou maken dat hij de beslissing op bezwaar af zou moeten wachten. De voorzieningenrechter benadrukt dat de rechtspraak met betrekking tot het spoedeisend belang strikt is.
3. Verzoeker heeft met betrekking tot het spoedeisend belang aangevoerd dat hij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten, omdat de zorg die hij momenteel ontvangt formeel niet aan hem is toegekend. Hij stelt dat dit veel onrust, onzekerheid en stress veroorzaakt, wat een negatief effect heeft op de continuïteit van zijn zorg en emotionele stabiliteit. Omdat de stress psychische en lichamelijke klachten veroorzaakt meldt hij zich regelmatig ziek bij zijn dagbesteding, waarmee ook deze vorm van begeleiding in het geding komt.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat in zijn situatie sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verzoeker door de toekenning van begeleiding in het bestreden besluit niet is verstoken van zorg. Verzoeker heeft weliswaar toegelicht waarom hij in plaats van ZIN graag een pgb wil ontvangen en waarom hij de begeleiding van [naam zorgverlener] wil behouden, maar hij heeft niet onderbouwd dat het afnemen van zorg bij een andere zorgverlener voor hem niet mogelijk of passend is, of dat het gezien zijn medische situatie niet van hem mag worden gevergd dat hij (tijdelijk) zorg bij een andere zorgverlener afneemt. Bovendien blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat verzoeker nog steeds zorg ontvangt van [naam zorgverlener] , ondanks dat hier (tijdelijk) geen vergoeding van het college tegenover staat. Niet is gebleken dat deze situatie niet kan worden gecontinueerd totdat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen. Ook overigens is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het voor verzoeker onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing op bezwaar te moeten afwachten.
5. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 7 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.