Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 6 mei 2016 werd aangever door meerdere personen meegenomen naar een afgelegen plek waar hij zwaar mishandeld werd. Verdachte werd ervan verdacht medepleger en uitlokker te zijn van deze feiten. Tijdens de zittingen op 22 en 30 maart 2021 hebben zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten toegelicht.
De officier van justitie stelde dat verdachte, ondanks zijn vertrek bij de motorclub, nog steeds invloedrijk was en mogelijk anderen opdracht gaf tot de mishandeling. Echter, er was geen bewijs van nauwe en bewuste samenwerking of directe betrokkenheid. De verdediging benadrukte dat verdachte al geruime tijd weg was bij de motorclub en alleen vanuit familiebanden iets had geregeld rondom de begrafenis, zonder betrokkenheid bij de mishandeling.
De rechtbank concludeerde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte fysiek deelnam aan de mishandeling of vrijheidsberoving, noch dat hij als medepleger of uitlokker betrokken was. De verklaring van aangever bevatte slechts een vermoeden zonder concrete aanwijzingen. Ook de verklaring van een getuige over een cryptische opmerking van verdachte was onvoldoende. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en uitlokking van zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving.