ECLI:NL:RBZWB:2021:2144

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2021
Publicatiedatum
29 april 2021
Zaaknummer
8457072 CV EXPL 20-1247
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelvonnis proceskostenveroordeling in civiele procedure

In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde constateerde de kantonrechter dat het eerdere vonnis van 13 januari 2021 een kennelijke fout bevatte betreffende de proceskostenveroordeling. De oorspronkelijke veroordeling van eiser in de volledige proceskosten van gedaagde, bestaande uit dagvaardingskosten, griffierechten en salaris gemachtigde, bleek onjuist. De proceskosten die toewijsbaar waren aan gedaagde als partij in deze procedure bestonden slechts uit het salaris van de gemachtigde.

De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen tot herstel van het vonnis. Gedaagde maakte geen gebruik van deze mogelijkheid, terwijl eiser instemde met de voorgestelde wijziging. Vervolgens heeft de kantonrechter het herstelvonnis gewezen waarin de proceskostenveroordeling is beperkt tot het salaris van de gemachtigde van gedaagde, vastgesteld op € 1.442,00.

Daarnaast is bepaald dat de gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien eiser niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling voldoet. Ook zijn de nakosten en wettelijke rente over deze kosten geregeld, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. De overige vorderingen zijn afgewezen.

Uitkomst: Het herstelvonnis beperkt de proceskostenveroordeling tot € 1.442,00 salaris gemachtigde van gedaagde en wijst de overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 8457072 CV EXPL 20-1247
(herstel)vonnis d.d. 10 maart 2021
inzake
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser (hierna te noemen: [eiser] ),
gemachtigde: mr. A. Gumus-Ocak, werkzaam bij ARAG SE te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] .,
gevestigd te [woonplaats 2] ,
gedaagde (hierna te noemen: [gedaagde] ),
gemachtigde: mr. S.M.B.W. Oosterbeek, advocaat te Breda.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het vonnis van de kantonrechter te Breda van 13 januari 2021, met de daarin genoemde stukken;
b. de brief van de griffier van 25 januari 2021;
c. de bericht van de gemachtigde van [eiser] van 27 januari 2021.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1
De griffier heeft bij brief van 25 januari 2021 aan de gemachtigden van partijen medegedeeld dat de kantonrechter ambtshalve heeft geconstateerd dat het vonnis van 13 januari 2021 een kennelijke fout bevat, die zich leent voor eenvoudig herstel zoals bedoeld in artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Immers, eiser [eiser] is veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Deze kosten zijn vastgesteld op € 2.047,47, bestaande uit € 106,47 aan dagvaardings- en informatiekosten (met afwijzing van de post brp informatie), € 499,00 aan griffierechten en € 1.442,00 aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] . Echter, de (toewijsbare) proceskosten van [gedaagde] als gedaagde in deze kantonprocedure bestonden slechts uit het gemachtigdensalaris van € 1.442,00.
2.2
Gelet op het bovenstaande heeft de kantonrechter het voornemen uitgesproken om een herstelvonnis te wijzen, waarin de proceskosten waarin [eiser] wordt veroordeeld, worden vastgesteld op € 1.442,00 aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] . De kantonrechter heeft beide partijen in de gelegenheid om uiterlijk 8 februari 2021 te reageren op voormeld voornemen.
2.3
[gedaagde] heeft van voormelde gelegenheid geen gebruik gemaakt en [eiser] heeft de kantonrechter bericht dat hij akkoord is met de voorgestelde wijziging.
2.4
Het voorgaande brengt mee dat als volgt zal worden beslist.

3.De beslissing

De kantonrechter:
volhardt bij de inhoud van het tussen partijen op 13 januari 2021 gewezen vonnis met bovenvermeld zaaknummer, met dien verstande dat de in rechtsoverweging 3.4.7 en de in de beslissing opgenomen tekst/veroordeling als volgt dient te luiden:
“3.4.7 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden tot op heden vastgesteld op € 1.442,00 aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] . De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [eiser] de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [eiser] , indien deze door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien. De nakosten – en de wettelijke rente daarover – zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot.
4. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.442,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [eiser] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op
• € 120,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling
en
• de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.”
Dit vonnis is gewezen door mr. A.G.M. Zander en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2021.