Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 5 januari 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] te [plaatsnaam] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Eiser is een 48-jarige man, die werkzaam is geweest als kok voor gemiddeld 35,86 uur per week. Nadat hij werkloos werd ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 6 oktober 2015 is hij vanuit de WW uitgevallen met gehoorproblemen, waarna aan hem een uitkering werd toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).
cognitief functionerenen
financiële situatie. Uit het rapport van deze praktijk kan in ieder geval niet worden afgeleid dat eiser niet of beperkt zelfredzaam is op micro-niveau, gezien ook wat er is opgenomen onder de kopjes
lichamelijk functioneren, huishoudenen
ADL-vaardigheden.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat ook geen aanleiding voor de conclusie dat het UWV – los van de discussie over GBM – te geringe beperkingen heeft aangenomen in verband met eisers lichte verstandelijke beperking. In de FML zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, en wat eiser aanvoert geeft geen aanleiding voor de conclusie dat deze niet ver genoeg gaan. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de omstandigheid dat de artsen van het UWV de door eiser ervaren beperkingen op een andere manier hebben gewogen dan zoals hij die ervaart, niet betekent dat hun oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak immers niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen.