Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 8 juni 2019 werd het slachtoffer in Etten-Leur beroofd van een geldbedrag en zijn telefoon, waarbij hij zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte werd ervan verdacht samen met een medeverdachte het feit te hebben gepleegd. De officier van justitie baseerde zich vooral op de verklaringen van het slachtoffer en enkele ondersteunende feiten zoals letselinformatie en telefooncontacten.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer inconsistent waren en dat er onvoldoende aanvullend bewijs was om de betrokkenheid van verdachte vast te stellen. De rechtbank onderzocht het dossier en constateerde dat het bewijs voornamelijk uit de verklaringen van het slachtoffer bestond, die op meerdere punten tegenstrijdig waren, zoals de herkenning van de medeverdachte, de details over het geldbedrag en het gebruik van een helm.
Hoewel er aanwijzingen waren zoals letsel dat overeenkwam met de beschrijving van het slachtoffer en telefooncontacten tussen verdachte en slachtoffer, ontbrak direct bewijs zoals forensisch bewijs of getuigenverklaringen die verdachte op de plaats delict bevestigden. Gezien deze tegenstrijdigheden en het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor diefstal met geweld en afpersing.