Op 6 februari 2020 heeft verdachte te Breda [naam 1] mishandeld door haar meermalen met het handvat van een lifehammer op het hoofd te slaan en haar in de pols te bijten. Tevens heeft verdachte samen met een ander een ruit vernield en is zij door braak in de woning van [naam 1] en/of [naam 2] binnengedrongen gedurende de nachtrust. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
De rechtbank weegt mee dat het handelen van verdachte en haar medeverdachte qua impact niet ver afstaat van een woninginbraak met geweld. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en heeft spijt getoond. Gezien haar persoonlijke omstandigheden, waaronder zorg voor twee jonge kinderen en openheid voor hulpverlening, legt de rechtbank een taakstraf van 160 uur op, te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met bijzondere voorwaarden.
De benadeelde partijen vorderen schadevergoeding, maar de rechtbank verklaart hen niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheid over causaliteit. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank legt bijzondere voorwaarden op waaronder meldplicht bij de reclassering, deelname aan gedragsinterventie agressiebeheersing en een contactverbod met de slachtoffers. De straf is mede bedoeld om recidive te voorkomen en begeleiding mogelijk te maken.