De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling voor hun tweejarige kind. De vader had sinds twee maanden geen contact meer met de minderjarige, nadat begeleide omgangsmomenten waren stopgezet. De moeder voerde verweer en stelde onder meer dat er sprake was van huiselijk geweld en dat onbegeleide omgang niet verantwoord was.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was omdat er geen eerdere voorlopige voorziening was en er sprake was van een spoedeisend belang. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een wekelijkse omgang van een dag, onbegeleid, gezien het belang van het kind om beide ouders regelmatig te zien.
De rechtbank stelde vast dat er geen contra-indicaties waren voor onbegeleide omgang en dat de moeder de omgang onnodig frustreerde. De voorlopige voorziening bepaalt dat de vader de minderjarige eenmaal per week van 09:00 tot 17:00 uur mag zien, waarbij de moeder het kind brengt en de vader het weer terugbrengt. Partijen dienen in onderling overleg de exacte dag af te stemmen.