ECLI:NL:RBZWB:2020:7223

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2020
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
02-293258-19 (ontneming)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Speekenbrink
  • Sterk
  • Diepenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 94a SvArt. 103 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt en elektriciteitsdiefstal

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 december 2020 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte die samen met zijn partner hennep heeft geteeld en elektriciteit heeft gestolen. De rechtbank veroordeelde verdachte eerder voor deze feiten en behandelde vervolgens de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie stelde dat verdachte door vier oogsten hennep een voordeel van €384.569,68 had behaald, gebaseerd op een rapport van 15 november 2018. De verdediging betoogde dat de periode korter moest zijn, met maximaal één eerdere oogst, op grond van een taxatierapport.

De rechtbank oordeelde dat het bewezenverklaarde vier oogsten omvat en dat het voordeel berekend kon worden aan de hand van de bruto-opbrengst per kweekruimte minus kosten. Na aftrek van kosten en de toegewezen schadevergoeding voor illegaal afgenomen elektriciteit stelde de rechtbank het ontnemingsbedrag vast op €373.622,58. De vordering van de officier van justitie voor het overige werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van €373.622,58 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-293259/19
vonnis van de rechtbank d.d. 17 december 2020
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene01]
geboren op [geboortedatum01] 1957 te [geboorteplaats01]
wonende te [postcode01] [plaats01] , [adres01]
raadsvrouw mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht

1.De procedure

Betrokkene is op 17 december 2020 door deze rechtbank veroordeeld voor het samen met zijn partner [mededader] kweken van hennep en diefstal van elektriciteit tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 december 2020, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. Smid, heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene in de hennepkwekerij, die werd aangetroffen in een loods bij de woning van betrokkene aan de [adres01] te [plaats01] , vier keer 811 hennepplanten heeft gekweekt en heeft geoogst en daarmee een voordeel heeft behaald van € 384.569,68. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 15 november 2018.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan moet worden van een periode die loopt vanaf 22 mei 2018. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak tegen betrokkene is door de verdediging een taxatierapport overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de bij betrokkene aangetroffen hennepkwekerij daar nog niet zat voor de inspectiedatum van 22 mei 2018. Op grond daarvan is de verdediging van mening dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van maximaal één eerdere oogst en dan in slechts twee kweekruimtes, dit omdat in de derde kweekruimte op 14 november 2020 nog hennepplanten stonden.

4.Het oordeel van de rechtbank

Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de bewijsmiddelen die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar vonnis van heden in de zaak van betrokkene onder hetzelfde parketnummer. Daarin is vastgesteld dat sprake is geweest van vier eerdere oogsten waar betrokkene voor verantwoordelijk wordt gehouden. De rechtbank is op grond van die bewijsmiddelen van oordeel dat betrokkene door middel van het illegaal telen en bewerken van hennepplanten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.
4.1
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:
- de berekening die is gemaakt in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (pagina’s 154 tot en met 163 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2019030213)
- het proces-verbaal aanvraag machtiging handhaven conservatoir beslag ex artikel 94a jo artikel 103 Strafvordering Pro (pagina’s 193 tot en met 197 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2019030213).
Op grond van de bewijsmiddelen, die mede zijn gebaseerd op de in het rapport van het BOOM bepaalde maatstaven, kan naar het oordeel van de rechtbank per kweekruimte een bruto opbrengst worden vastgesteld van:
 kweekruimte 1 (60 m²): 435 planten x 31,4 gram is totaal 13.659 gram x € 4,07 = € 55.592,13;
 kweekruimte 2 (21 m²): 188 planten x 30,9 gram is totaal 5.809 gram x € 4,07 = € 23.643,444;
 kweekruimte 3 (21 m²): 188 planten x 30,9 gram is totaal 5.809 gram x € 4,07 = € 23.643,444.
De bruto-opbrengst per oogst komt op grond daarvan op een bedrag van € 102.879,01. Hierop moeten de kosten (afschrijvingskosten € 500,=, kosten in verband met de aankoop van hennepstekken € 3089,91 en variabele kosten € 3.146,68) in mindering worden gebracht, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag aan kosten van € 6.736,59. De netto opbrengst per oogst kan op grond daarvan worden vastgesteld op een bedrag van € 96.142,42.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel voor 4 oogsten zou dan kunnen worden geschat op een bedrag van € 384.569,68.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is namens [bedrijf01] B.V. een verzoek tot schadevergoeding ingediend, welke vordering ook door de rechtbank in haar vonnis is toegewezen. De materiële schade die [bedrijf01] heeft geleden en die is toegewezen, bestaat onder andere uit € 9.857,68 voor de “illegaal afgenomen elektriciteit” en uit € 1.089,42 in verband met “capaciteitstarief”. De rechtbank is van oordeel dat deze bedragen in mindering moeten worden gebracht op het te ontnemen bedrag nu deze elektriciteitskosten werden aangewend voor de kweek van de hennepplanten.
De rechtbank zal op grond daarvan het genoten wederrechtelijke verkregen voordeel schatten op € 384.569,68 -/- € 10.947,10 =
€ 373.622,58.
4.2
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op €
€ 373.622,58en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

5.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 373.622,58;
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 373.622,58, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de [mededader] is betaald, betrokkene niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op
240 dagen;
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink, voorzitter, mr. Sterk en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Nouws en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 december 2020.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.