Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 11 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Eiser] , te [Plaatsnaam] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
Beroepsgronden
Wettelijk kader
De aanvraag
Beoordeling beroep
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, die voornemens is te naturaliseren tot Nederlander, verzocht de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (DUO) om een gedeeltelijke vrijstelling van het examen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (ONA). Dit examen is sinds 2015 verplicht onderdeel van het inburgeringsexamen, dat vereist is voor naturalisatie.
De minister wees het verzoek af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de twaalf maanden voorafgaand aan het verzoek in ten minste zes maanden minimaal 48 uur per maand in loondienst had gewerkt. Eiser stelde dat hij voldoende werkuren had gemaakt, onderbouwd met een brief van de gemeente Elburg uit 2016, maar deze uren waren niet geregistreerd in de polisadministratie van het UWV.
De rechtbank oordeelde dat eiser op 16 november 2019 een aanvraag tot vrijstelling van het examen ONA had ingediend, en dat de minister terecht had vastgesteld dat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling. Ook werd geoordeeld dat de minister niet verplicht was een hoorzitting te houden. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om vrijstelling van het examen ONA is ongegrond verklaard.