Eiser ontvangt een WAO-uitkering en verricht sinds 2013 vrijwilligerswerk bij verkiezingen, waarvoor hij onkostenvergoeding ontvangt. Het UWV stelde dat eiser te laat melding had gedaan van dit vrijwilligerswerk en kondigde een waarschuwing aan, maar zag uiteindelijk af van het opleggen daarvan. Eiser maakte bezwaar tegen deze gang van zaken.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 20 september 2019, waarin het UWV meedeelde geen waarschuwing op te leggen, geen besluit in de zin van de Awb is omdat het geen rechtsgevolgen voor eiser heeft. Hierdoor was bezwaar daartegen niet ontvankelijk. Het bestreden besluit van 19 februari 2020, waarin het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde, wordt vernietigd omdat het UWV de bezwaren niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart de bezwaren tegen de brief van 20 september 2019 niet-ontvankelijk. Het UWV wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de schending van de inlichtingenplicht.