Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het geschil
- gedurende de eerste vier weken, na de start van begeleide omgang, wekelijks één uur per week begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] ;
- gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks twee uur per week begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [verzoekster] en [minderjarige] ;
- gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] op zaterdag van 12:00 uur tot 16:00 uur;
- gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur;
- gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks onbegeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] op zaterdag van 10:00 uur tot zondag 17:00 uur;
- gedurende de daaropvolgende weken één weekend per veertien dagen onbegeleide omgang zal plaatsvinden tussen de minderjarig en [verzoekster] , van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij het halen en brengen tussen partijen wordt verdeeld, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.
4.De beoordeling
zie onder meer EHRM 21 december 2010, 20578/07, NJ 2011/508) het recht heeft te weten van wie het afstamt. Dit is ook gewaarborgd in de artikelen 7 en 8 van het IVRK. Hoewel er in het onderhavige geval geen sprake is van bloedverwantschap tussen [minderjarige] en [verzoekster] , staat [minderjarige] door de erkenning door [verzoekster] wel in familierechtelijke betrekking tot haar en stamt zij juridisch gezien af van haar af. [verweersters] en [verzoekster] hebben er tijdens hun relatie samen voor gekozen [minderjarige] ter wereld te brengen met behulp van een donor (die ook de donor is van de zoon van [verzoekster] ) en hebben de eerste maanden van haar leven samen voor haar gezorgd. Daarnaast draagt [minderjarige] de achternaam van [verzoekster] en heeft [verzoekster] een zoon, die de halfbroer van [minderjarige] is.
voorlopigezorgregeling begeleid contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] zal zijn, maar dat de invulling daarvan (de wijze waarop het contact plaatsvindt, de frequentie en de duur van de contacten) aan de GI wordt overgelaten. De rechtbank is enerzijds van oordeel dat een zo concreet mogelijke beslissing van de rechtbank noodzakelijk is om [verweersters] te bewegen mee te werken aan dit contact, maar anderzijds ook dat er ruimte moet blijven om bij de opbouw van het contact – zoals door de Raad ook is geadviseerd – het tempo van [minderjarige] te volgen en te kunnen blijven monitoren wat zij aan kan.
definitievezorgregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de begeleide contactregeling en het verloop en de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling tot 16 maart 2021 PRO FORMA. De rechtbank verzoekt de GI om de rechtbank uiterlijk op de hiervoor genoemde pro forma datum – onder gelijktijdige verstrekking aan partijen en de Raad – te berichten over het verloop en de resultaten van de hulpverlening en de begeleide omgang, alsmede kenbaar te maken of een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is of zal worden ingediend. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken. Indien een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt ingediend, kan dat verzoek mogelijk gelijktijdig met de onderhavige zaak op zitting worden gepland voor een (nadere) mondelinge behandeling.
5.De beslissing
16 maart 2021 PRO FORMA;