Eiseres heeft beroep ingesteld tegen twee besluiten van het UWV van 11 oktober 2019: de beëindiging van haar Ziektewetuitkering en de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid volgens de Wet WIA. De rechtbank behandelde het beroep op 18 mei 2020 en gaf het UWV bij tussenuitspraak van 3 juni 2020 de gelegenheid om een motiveringsgebrek te herstellen.
Het UWV diende een aanvullende motivering in, waarop eiseres reageerde. De rechtbank oordeelde dat de motivering voor de functie medewerker logistiek voldoende was hersteld, maar niet voor de functie medewerker bloemzaadproductie. De geschiktheid van de reservefunctie portier werd als passend beoordeeld en leidde tot een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% voor de WIA en 25% voor de Ziektewet.
De rechtbank liet de passendheid van de functie medewerker bloemzaadproductie in het midden en verklaarde het beroep gegrond wegens motiveringsgebrek. De rechtsgevolgen van de besluiten blijven in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres, waarbij een deel van de kosten van de medisch adviseur werd gemaximeerd en toegekend.