Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat er in eerste aanleg een eindvonnis wordt uitgesproken nadat de redelijke termijn is aangevangen. Die termijn start vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdacht een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 21 februari 2017 is [verdachte] door de politie voor het eerst gehoord over deze zaak. Dit is het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het eindpunt is de datum van de uitspraak: 12 november 2020. Het tijdsverloop tussen 21 februari 2017 en 12 november 2020 beslaat ruim drie jaar en negen maanden. Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en negen maanden, die niet aan de verdediging te wijten is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de zaak weliswaar complex van aard is, waarin in de loop van de tijd vele onderzoekswensen zijn ingediend en uitgevoerd, maar dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop verklaren. De rechtbank zal de overschrijding daarom in het voordeel van [verdachte] verrekenen in de straftoemeting.
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
een gevangenisstraf van 53 dagen;
de tijddie verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in
voorarrestheeft doorgebracht
in minderingwordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
een taakstraf van 180 uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast van
90 dagen.
9.Bijlage I
10.Bijlage II
Ik kreeg dan de opdracht van [verdachte] om bij haar langs te komen en kreeg daar brieven van [medeverdachte 4] te lezen waar dan een opdracht voor mij in stond.
Zij waren op de hoogte van de opdracht die ik via een brief had gekregen op [getuige 1] te benaderen en geld te bieden om hem te beïnvloeden.
[medeverdachte 3] nam handgeschreven brieven van [medeverdachte 4] mee uit de gevangenis.
Ik weet dat mijn vader brieven schreef met opdrachten. Ik hoorde dan van [medeverdachte 1] “ik heb een brief gehad en moet dat en dat doen”. [medeverdachte 1] kreeg die brieven via mijn moeder.
zegt dat hij [medeverdachte 4] wil spreken en morgenmiddag naar [medeverdachte 4] toekomt.
[medeverdachte 4] zegt dat hij wil dat [medeverdachte 3] zo dadelijk naar haar thuis komt.
[medeverdachte 4] zegt nog dat zij [medeverdachte 3] nog moet bellen en [medeverdachte 3] bij hun thuis moet zien.
(waarvan de rechtbank uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 171 begrijpt dat dit 28 februari 2017 moet zijn)inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Laat [naam 5] zijn waardevolle spullen bij zijn zoon [naam 6] op zolder zetten”.
Nou niet sporadisch, maar niet iedere keer als ik bij [medeverdachte 4] geweest was. Maar ik kwam er nadat hij had binnen en smeken om langs zijn ouders en zijn vrouw te gaan.
Ik heb de brief gelezen die [medeverdachte 1] van [verdachte] heeft gekregen. Dat was voor de kerst 2016. In die brief stond dat iemand van mijn familie met [naam 9] hadden gepraat.
[medeverdachte 1] zei dat ik voor [medeverdachte 4] iets wilde verklaren. Ik ging daar niet op in. Ik ga geen leugens vertellen. Ik wilde dat niet. Het is voor mij zeker nogal een bedrag wat ze aanboden.
heeft mij gebeld. [verdachte] is bij mij geweest. [verdachte] liet me toen de verklaring van [medeverdachte 1] aan mij zien. Ze was wat nerveus. [medeverdachte 4] belde [verdachte] . Zij gaf de telefoon aan mij. Ik had al lang niet gezien. Mijn gezin en kinderen kwamen of waren binnen, ook mijn schoonouders. Die waren allemaal verbaasd dat zij er was. Waar [verdachte] in het telefoongesprek zegt “we hebben het” dan bedoelt ze de verklaring van [medeverdachte 1] , die kon ze niet vinden. Ik schrok toen ze voor mijn deur stond. Ze zei ik heb iets dat je moet lezen.
[verdachte] zei dat [getuige 2] een verklaring moest lezen. Ze hadden een verklaring met foto’s bij van [medeverdachte 1] . [getuige 2] had de verklaring gelezen. U zegt dat [verdachte] tegen [medeverdachte 4] aan de telefoon zei “we hebben het”. Ze bedoelde hiermee de verklaringen. Het zat mij dwars dat ze kwamen. Ze zaten in het nauw denk ik. [getuige 2] sprak toen met [medeverdachte 4] aan de telefoon.