Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegd feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak van verdachte die werd verdacht van poging tot afpersing en bedreiging van een aangever. De tenlastelegging hield in dat verdachte door dreiging met geweld probeerde een geldbedrag van minimaal €72.500 af te dwingen. De zaak werd inhoudelijk behandeld in september 2020 en het onderzoek werd gesloten in oktober 2020.
De rechtbank stelde vast dat verdachte en aangever op 15 februari 2017 een ontmoeting hadden waarbij gesproken werd over geld. Camerabeelden en getuigenverklaringen bevestigden de aanwezigheid en volgorde van personen, evenals het gespreksonderwerp. Echter, de rechtbank vond geen bewijs dat verdachte daadwerkelijk geweld gebruikte of dreigde met geweld. De bedreigende woorden die aangever aanvoerde werden niet ondersteund door andere bewijsmiddelen of getuigenverklaringen.
De verdediging betoogde dat de aangifte een vooropgezet plan was van aangever om verdachte ten onrechte te belasten. De rechtbank volgde dit standpunt deels door te oordelen dat de bedreiging met geweld niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel de poging tot afpersing als de bedreiging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van poging tot afpersing en bedreiging.